De toenemende productie van energie uit windturbineparken kan zonder drastische uitbreiding van een internationaal gekoppeld hoogspanningsnet onvoldoende worden benut. Zo blijkt uit een nieuwe studie van energieadviesbureau KEMA in opdracht van een viertal energiebedrijven en de Algemene Energieraad.
Het heeft allemaal te maken met de koppeling van oude en nieuwe systemen aan elkaar. Die functioneert veel te weinig flexibel.
Kolen- en gascentrales vormen de back-up tijdens periodes met weinig wind. Dat betekent dat ze minder nodig zijn als de windturbineparken volop draaien. De conventionele centrales moeten dan op een lager vermogen draaien omdat er anders te veel stroom wordt geproduceerd. Windenergie heeft volgens afspraak namelijk voorrang. Maar de mogelijkheid om conventionele centrales minder te laten draaien of zelfs tijdelijk helemaal uit te schakelen, is beperkt. Voor een groot deel omdat die centrales ook warmte leveren.
Als het windturbinepark zou worden uitgebreid tot een capaciteit van 12 GW (gigawatt) zou er volgens de berekeningen zelfs 15% van de opgewekte stroom verloren gaan. Export naar het buitenland kan een overschot (nog) niet volledig opvangen.
Zoals de situatie nu is kan een windturbinepark met een totale productie van 6 GW nog net inpasbaar zijn. Wat we nodig hebben is een verdere uitbreiding van het internationale hoogspanningsnet, nieuwe grootschalige opslagsystemen van elektrisch energie en een verdere flexibilisering van de bestaande centrales.
De ingenieursbureaus zijn druk bezig oplossingen voor al deze problemen te verzinnen, zoals het door Bureau Lievense voorgestelde energie-eiland in de Noordzee.