Dat gevestigde gemeenschappen moeite hebben met het opnemen van nieuwe elementen in de eigen leefwereld is een bekend gegeven. Angst voor alles wat vreemd is (xenofobie), voor wat de bekende gang van zaken verandert of zou kunnen veranderen, is zeer verklaarbaar. Er wordt door een nieuw element altijd een bestaand evenwicht verstoord. Dat is even wennen, maar het is de normale gang van zaken en na enige tijd wordt altijd een nieuw evenwicht bereikt. Dat is een natuurwet. De dingen veranderen. Sterker nog: ze moeten veranderen om tot ontwikkeling te leiden. Zelfgenoegzame stilstand is de dood in de pot. Ook in de natuur. Het streven om alles te houden zoals het bekend is, is onnatuurlijk. Dat is in de natuur tuinieren op grote schaal, het behoudzuchtig nastreven van een (altijd beperkt) ideaalbeeld. Met name door de klimatologische veranderingen in de laatste tientallen jaren zijn er inmiddels honderden plant- en diersoorten uit andere gebieden in onze West-Europese natuur bijgekomen. Een invasie die vooral uit het zuiden komt. Vaak wordt die als een bedreiging gezien en worden zeer kostbare bestrijdingsmaatregelen ondernomen. Meestal is dat nutteloos vechten tegen de bierkaai en wordt uiteindelijk (na een heleboel gedoe) een nieuw evenwicht als normaal geaccepteerd. Voorbeeld van zo’n invasieve soort is een bekende waterplant, de waterpest (de naam spreekt al boekdelen). Deze Amerikaanse plant kwam ca. 1860 in de Nederlandse wateren terecht en breidde zich razendsnel uit. Het werd in sommige wateren een probleem voor scheepvaart en visserij. Maar een eeuw later was de overlast al een stuk minder en tegenwoordig staat deze soort zelfs op de Rode Lijst van in Nederland beschermde planten. Zo gaat dat. Van ongewenste exoot tot beschermde autochtoon.