Er schijnt een manier te zijn om chrysanten uit de tuin langer goed te houden op de vaas.
Dat klopt. Het probleem met tuinchrysanten is vaak dat de stelen nogal sterk zijn verhout. Zulke stelen nemen niet makkelijk water op uit een vaas als ze zijn afgesneden. Vroeger werden zulke stelen daarom vaak met een hamer onderaan geplet. Het effect daarvan is niet geweldig omdat er zo qua makkelijke wateropname meer wordt vernield dan bevorderd. Veel beter is het om met een scherp mes een paar flinke sneden in de lengterichting van de steel te maken. Zet ze daarna in water waarin u wat snijbloemenvoedsel hebt gedaan. Dat voorkomt de bacteriegroei die de watervaatjes in de stelen verstopt. Zorg dat er geen blad in het water hangt. Als de chrysanten in de tuin op kleur komen, kunt u ze snijden.
Waar komt de naam Usambara-viooltje vandaan en wat voor viooltje is het?
Het is helemaal geen viooltje, hoewel de bloemen van deze plant wel wat op viooltjes lijken. Het Usambara-viooltje is een andere naam voor de Saintpaulia, het Kaaps viooltje, de bekende kamerplant. Er bestaan zeker twintig soorten van en die komen allemaal voor in Oost-Afrika, waar vroeger (tot de Eerste Wereldoorlog) ook Duitse koloniën waren. De planten danken hun wetenschappelijke geslachtsnaam dan ook aan een Duitser die zowel botanicus was als districtsbestuurder van een deel van wat nu Tanzania is: Walter Le Tanneux von Saint Paul-Illaire (1860-1940). Die vond in 1890 een van de soorten in het tropische oerwoud van het Usambara-gebergte. Het hele geslacht werd in 1893 door een landgenoot naar hem vernoemd. De Saintpaulia behoort tot de familie van de Gloxinia’s.
Was die Clusius die de tulpen beroemd heeft gemaakt, een Hollander?
Dat wordt inderdaad wel gedacht, maar Carolus Clusius werd in 1526 in Atrecht in de zuidelijke Nederlanden (wat nu België is) geboren. Hij heette eigenlijk Charles de l‘Ecluse, maar noemde zich met een Latijnse vorm van die naam Clusius. Eigenlijk zat hij oorspronkelijk helemaal niet ‘in de planten’ zoals dat heet. Hij studeerde in Leuven rechten en daarna in Marburg en Wittenberg medicijnen. Die studie zette hij van 1551 tot 1554 voort in het Zuid-Franse Montpellier. Daar ontstond zijn belangstelling voor de plantkunde, omdat dat – vanwege de vele geneeskrachtige stoffen in planten – een onderdeel van de geneeskunde was. Zoals zoveel van zijn tijdgenoten was hij een echte Europeaan en bereisde hij grote delen van Europa. De gestudeerde mensen uit heel Europa konden toen gemakkelijk met elkaar in het Latijn communiceren, zoals dat nu in het Engels gebeurt. Er werd ook veel gereisd en er waren heel veel internationale contacten. Na zijn studie vertaalde Clusius het beroemde Cruydt-boeck van de Vlaming Dodonaeus in het Frans. Van een reis door Spanje en Portugal (1564/65) bracht Clusius ruim tweehonderd nooit eerder beschreven planten mee. In 1573 werd hij door de Oostenrijkse keizer Maximiliaan II tot drossaard (bestuurder) van zijn hof te Wenen benoemd en kreeg hij de opdracht een medicinale tuin aan te leggen bij het slot Schönbrunn. In 1593 werd hij tot honorair hoogleraar aan de rijksuniversiteit te Leiden benoemd en legde hij daar de oudste, nog bestaande botanische tuin aan, waar hij onder andere zaai- en kruisingsproeven met tulpen deed, maar ook met heel veel andere bolgewassen die hij uit heel Europa liet komen. Hij stierf ook te Leiden (1609). De Hortus te Leiden is ook nu nog te bezoeken. Er groeit nog een goudenregen die in 1600 werd geplant.
Mogen dahlia-knollen in de winter in de grond blijven zitten?
Nee, dahlia-knollen moeten uit de grond zijn voordat het gaat vriezen. De groei en bloei van de dahlia's gaat in principe door tot de eerste nachtvorst. Als de vorst zich aankondigt terwijl er nog loof aan de knol zit moet dit afgeknipt worden. Grondresten worden na het uitgraven voorzichtig verwijderd. Vervolgens worden ze het best op een droge, koele plek een paar dagen te drogen gelegd (niet in de zon). Daarna kunnen ze voor de winter opgeborgen worden, weer op een droge, koele plek, liefst met ventilatie. Ze kunnen bewaard worden in een kistje met losse proppen krantenpapier ertussen, of in een emmer met droog zand of turfmolm.
20 januari wordt mijn moeder 80 jaar. Het wordt groooooot feest. Ik heb de versiering van de ruimte op me genomen. Ik wilde massa's bloeiende sneeuwklokjes neerzetten. Ze hoeven het maar een dag uit te houden. Ik heb inmiddels wel begrepen dat sneeuwklokken niet bij de favorieten voortrekkers horen. Mijn vraag: zijn er toch mogelijkheden en hoe pak ik het dan aan?
Wanneer u over een maand bloeiende sneeuwklokjes wilt hebben, zouden ze nu geplant moeten worden. Het plantseizoen voor de bollen buiten is al afgelopen, en er zal nauwelijks meer aanbod van deze bollen in de winkel liggen. Bovendien moeten die bollen dan nog geprepareerd worden, dat wil zeggen enkele weken een koude periode doormaken, om later te bloeien. En daar is geen tijd meer voor. Er zijn waarschijnlijk twee oplossingen. U kunt proberen om bij een tuincentrum of bloembollenkweker of -handelaar bij u in de buurt (via de veilinginkoper) een partij bollen te bestellen die al zijn voorgetrokken. Wanneer u die nu snel plant, zouden ze het qua groeitempo nog net kunnen halen. Maar het is natuurlijk de vraag of ze dan op de aangegeven dag ook allemaal bloeien. U kunt ook proberen om in januari op de hiervoor beschreven wijze een partij sneeuwklokjes 'in het groen' te bemachtigen. De bollen zijn dan al geplant en uitgelopen. Dergelijke planten worden in januari aangeboden op de veiling ten behoeve van de detailhandel. Ook zijn er lokale handelaren die partijen in de grond uitgelopen sneeuwklokjes uitgraven, oppotten en verkopen. De detaillisten in uw regio kunnen u hier ongetwijfeld meer over vertellen.
Kan ik mijn dahlia's nu al uit de tuin halen of moet ik echt wachten tot de eerste nachtvorst?
De groei en bloei van de dahlia's gaat in principe door tot de eerste nachtvorst. Als u ze nu al uit de grond haalt, bijvoorbeeld omdat ze toch al sterk teruglopen, laat dan het loof er nog aanzitten. De knollen halen hier nog voedsel uit. Pas als het loof helemaal verdroogd is kan het afgeknipt worden. Als de knollen later gerooid worden, bevat het loof minder vocht, en is de kans op schimmelvorming of rotting tijdens de droog- en bewaartijd kleiner. Goed droog wegleggen dus, en af en toe ventileren.
Mijn dahliaknollen zijn enorm groot geworden. Kan ik ze verdelen (scheuren) en zo ja hoe dan en moet dat voor ik ze opberg voor de winter of van het voorjaar?
Als u de dahliaknollen alleen wilt verkleinen, dan kunt u voordat u de planten weer in de tuin zet een aantal tenen met nieuwe uitlopers van de knol afsnijden (en weggooien). U kunt ook gebruik maken van de gelegenheid om de planten te stekken of te delen. Dan worden ze eerst gedurende de winter opgeborgen, en begint het werk eind februari of begin maart.
De werkwijze bij stekken of delen is grotendeels gelijk. Het verschil zit hem in het moment waarop de tenen van de knol losgesneden worden: met een al uitgelopen stek erop, of nog ‘kaal’, voor het uitlopen van de teen.
Om te stekken wordt een aantal knollen in een kistje gelegd op een laag goede potgrond. De knollen worden vervolgens afgedekt met een laag potgrond, waarbij de plekken waar de stek later gaat ontstaan wat vrij gehouden wordt. De stekken ontstaan boven de teen, op de oude knol, vlakbij de punten waar de tenen aan de oude knol vastzitten. De kist wordt op een zonnige plek gezet waar goed geventileerd kan worden, om rotting of schimmelvorming te voorkomen. De bodemtemperatuur moet circa 20 graden Celsius zijn. Wanneer de stekken minstens 1 bladpaar hebben, kunnen ze losgesneden worden. Daarbij wordt niet aan het eind van de teen gesneden, maar iets verder, zodat een stuk van de oude dahliaknol aan de stek blijft zitten. Vanuit dit restant van de ‘kraag’ vormt de stek straks nieuwe wortels. De stekken worden opgepot in stekgrond. Stekpoeder bevordert de wortelvorming verkleint de kans op schimmels. De stekken worden tenslotte licht en warm weggezet. Vanaf half mei, wanneer de kans op nachtvorst afneemt, kunnen de stekken buiten uitgeplant worden.
Bij vermeerdering via knoldeling worden de tenen losgesneden voordat ze in de kist geplant worden. Ook hierbij is het dus van belang om een stuk van de oude knol aan de nog los te snijden teen te laten zitten, omdat hierop de stek ontstaat en de wortels gevormd worden. Uit losse tenen zonder deel van de 'kraag' er nog aan zullen geen nieuwe planten groeien! Na het lossnijden worden de tenen afzonderlijk in de kist gelegd, waarbij ook weer het punt waar de stek verwacht wordt wat vrij gehouden wordt. Verder is de werkwijze min of meer hetzelfde.
Ik heb enkele jaren geleden krokussen in mijn tuin geplant in diverse kleuren. Nu zijn er geen gele meer te vinden. Verkleuren krokussen onder invloed van grondsoort of andere omstandigheden?
Na de winter hebben veel vogels last van vitaminegebrek. De (gele) Crocus bevat veel vitamine C, net als bijvoorbeeld de knoppen van de Forsythia. Ze worden door de vogels als welkome aanvulling op het dieet gezien, en gewoon opgegeten. De witte, lila en paarse crocussen vallen kennelijk minder op, of worden minder snel als voedselbron gezien, en gaan daarom meestal langer mee.
Als ik al vroeg bloemen van bollen wil genieten, kan ik deze dan voortrekken? Ik zou graag in februari witte bloemen willen.
Wit bloeiende bloembollen die zich lenen voor het voortrekken in het vroege voorjaar zijn bijvoorbeeld Narcissus ´Paperwhite´, witte hyacinten, krokussen of tulpen en Amaryllis, maar ook witte blauwe druifjes. Hoe u dat doet kunt u lezen in de hierna volgende beschrijving.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Bollen voortrekken
Bollen en knollen kunnen qua bloeiperiode verdeeld worden in voorjaarsbloeiers, zomerbloeiers en najaarsbloeiers. Ze kunnen allemaal voorgetrokken worden. De voorjaarsbloeiers, die in oktober buiten in de volle grond geplant worden, bloeien daar tussen februari (sneeuwklokje) en eind mei (tulpen). De zomerbloeiers (knolbegonia, dahlia´s etc.) worden pas na de laatste nachtvorst, half mei, buiten aangeplant, en bloeien dan tijdens de zomermaanden. De najaarsbloeiers (bijvoorbeeld Colchicum of herfsttijloos, en laatbloeiende Crocus) worden ook in het voorjaar geplant, maar bloeien pas in september of oktober.
Voorjaarsbollen die zich er goed voor lenen om voorgetrokken te worden zijn bijvoorbeeld narcis, hyacint, blauwe druifjes, Crocus, herfsttijloos (Colchicum) en Amaryllis. Veel bollen die binnenshuis vervroegd opgekweekt worden, moeten een voorbewerking ondergaan hebben. Alleen Amaryllis en Narcissus ‘Tazette’ kunnen zonder extra behandeling direct geplant worden. Er zijn voorbehandelde bollen te koop, maar onbehandelde bollen kunnen ook zelf gekoeld worden. De onbehandelde bollen worden dan in een plastic zakje met luchtgaatjes 4 tot 6 weken onder in de koelkast gelegd, bijvoorbeeld bij de groenten. Ze mogen niet bevriezen. De bollen kunnen daarna binnenshuis op water, op grind of in potgrond verder opgekweekt worden.
Voor het opkweken op water zijn speciale glazen en plastic potjes te koop, voor hyacint en Amaryllis, maar ook voor tulpen en narcissen. De glazen of potten worden zo ver met water gevuld dat de bol het water niet raakt.
Voor het opkweken van bollen op grind wordt een waterdichte pot of schaal gevuld met een 5 tot 10 cm dikke laag grind. Hierop worden de bollen geplaatst. Hierbij mag het water de bollen beslist niet raken. Aan de andere kant mogen de bollen ook niet droog komen te staan. Het opkweken in grond gaat op ongeveer dezelfde wijze als bij het kweken op grind. De grond moet luchtig en goed doorlatend zijn. Voor een goede bollen grond kan 2/3 deel potgrond met 1/3deel zand gebruikt worden. Onder in de pot kan een laagje potscherven of grind voor een goede ontwatering zorgen.
Na het planten wordt het glas, de pot of schaal op een donkere, goed geventileerde plaats gezet, bij een temperatuur van circa 10 tot 12 graden Celsius. Als na 4 tot 6 weken de groeipunten zo’n 5 cm boven de bol uitkomen mag hij in de huiskamer gezet worden.
Bollen die in grond opgekweekt worden kunnen ook buiten gekoeld worden. Hierbij worden ze eerst in de pot geplant, waarna de pot ingegraven wordt. De potrand moet dan hooguit 15 cm onder het maaiveld zitten. De bovenzijde van de pot wordt afgedekt met stro, zaagsel of scherp zand. Na circa 8 weken kan de pot uitgegraven worden, en zullen de bollen binnenshuis verder groeien.
Na de bloei kunnen de potten of schalen met de uitgebloeide bollen buiten in een beschaduwde hoek geplaatst worden, waar het loof ongezien kan afsterven. Uitplanten in de tuin kan natuurlijk ook. Als de bollen die in de winter of het vroege voorjaar binnen gebloeid hebben bewaard gaan worden, moet het afsterven echter in eerste instantie binnen gebeuren, omdat de planten voor half mei buiten nog kunnen bevriezen.
Door het voortrekken van zomerbloeiers wordt bereikt dat bij de aanplant na half mei al gelijk hele planten buiten aangeplant kunnen worden, in plaats van de anders nog kale bollen of knollen. Vanaf eind februari kunnen veel zomerbloeiers, zoals de knolbegonia´s binnen al in potten geplant worden. Op een lichte plek, en bij een temperatuur tot circa 18 graden Celsius begint de groei. Vanaf half mei kunnen de potten naar buiten, of kunnen de planten in de volle grond gezet worden.
De najaarsbloeiende herfsttijloos (Colchicum) wordt voor gebruik in de huiskamer al in augustus ´geplant´, zonder grond of water: het is een droogbloeier. De bollen worden gewoon tegen elkaar aan gezet in een ondiepe pot of schaal. Op een lichte plek uit de zon zullen ze tussen september en november bloeien. Worden ze later geplant, dan valt de bloei uiteraard ook wat later. Pas in het voorjaar verschijnt het blad van de herfsttijloos. Dan kunnen de bollen ook in de tuin geplant worden, eerst om blad te ontwikkelen, en om het blad daarna rustig af te laten sterven. Overigens zijn alle delen van de plant erg giftig, ook de bessen. Het is daarom verstandig ze uit de buurt van kleine kinderen en huisdieren te houden.
Ik heb gelezen dat bollen en knollen niet van mest houden? Moet ik de grond waar ik ze wil planten dan dit najaar wel mesten?
Het klopt dat bollen en knollen niet graag in rijk bemeste grond groeien. Zeker niet als dat vrij verse stalmest was, zoals vaak op volktuinen wordt ondergewerkt. U kunt de voorjaarsbloeiende bol- en knolgewassen die u nu en in de komende maanden wilt poten, het beste in niet recent bemeste grond planten. Mest zo’n stuk grond pas nadat de bollen er zijn gerooid. Over het algemeen is het trouwens beter om niet in het najaar, maar in het voorjaar te mesten (als de planten weer aan de groei gaan).
Ik wil bloembollen kopen. Waar moet ik op letten om een goede kwaliteit te kopen?
Voorjaarsbloeiende bollen worden nu (in het najaar) los of voorverpakt verkocht. Het is vooral een kwestie van vertrouwen, want aan de buitenkant van een bol is vaak niet te zien of er iets aan mankeert. Bovendien moet u erop kunnen vertrouwen dat u ook krijgt wat u verwacht. Als u rode lage tulpjes denkt te kopen en in mei staan ze roze op hoge stelen in uw tuin te bloeien, is er iets niet helemaal goed gegaan. Koop uw bollen dan ook bij een leverancier die er verstand van heeft en de bollen op de juiste wijze bewaart, o.a. qua omgevingstemperatuur. Koop geen bollen die al spruiten. Mooie bollen die goed in hun huid zitten zijn het beste, hoewel er wel tulpenrassen bestaan die een vrij losse huid hebben. Laat bollen met rotte plekken of schimmelplekken liggen. Vermijd sterk ingedroogde bollen. De kwaliteit wordt ook aan de bolmaat afgemeten, de zogenaamde ziftmaat. Die wordt in centimeters omtrek aangegeven. Botanische tulpenbolletjes in de maat 6-7 zijn prima, grotere tulpen vanaf 11 à 12 cm. Kies voor hyacinten bollen van 14-16 cm. Bij grotere bollen worden de bloemtrossen soms zo zwaar dat ze omvallen. Bij narcissen geven grote bollen meer bloemstengels per bol.
Is het waar dat de knollen van herfsttijloos (Colchicum) ook droog op de vensterbank kunnen gaan bloeien?
De grote knollen van de herfsttijloos kunnen als ze warm en licht worden geplaatst, bijv. op een schotel in de vensterbank, nu inderdaad zonder grond of water spontaan gaan bloeien. Het put de knollen echter wel uit. Daarom is het aan te raden de knollen direct na de bloei (tijdens vorstvrij weer) in de tuin te planten. Laat ze tussen heesters verwilderen. Ze kunnen jarenlang op dezelfde plaats blijven staan.
Wanneer moeten de knollen van de knolbegonia's uit de grond gehaald worden om te overwinteren?
Ze kunnen de grond uit zodra het bovengrondse loof is afgestorven, en moeten de grond uit zijn voordat het gaat vriezen. Als de vorst zich aankondigt terwijl er nog loof aan de knol zit moet dit afgeknipt worden. Grondresten worden na het uitgraven voorzichtig verwijderd. Vervolgens worden ze het best op een droge, koele plek een paar dagen te drogen gelegd (niet in de zon). Daarna kunnen ze voor de winter opgeborgen worden, weer op een droge, koele plek, liefst met ventilatie. Ze kunnen bewaard worden in een kistje met losse proppen krantenpapier ertussen, of in een emmer met droog zand of turfmolm.
In het voorjaar kunnen ze weer geplant worden. Kunnen ze de eerste tijd nog binnen staan dan kan er al in februari of maart geplant worden. Moeten ze direct buiten aangeplant worden, dan kan dat pas nadat het risico van nachtvorst geweken is.
Vanaf wanneer zijn er tulpenbollen te verkrijgen?
De voorjaarsbloeiers (zoals tulp, narcis, crocus, winteraconiet, boshyacint en heel veel andere soorten) worden in het najaar geplant, eind september of in oktober. Vanaf de tweede helft van september zijn ze overal volop verkrijgbaar.
De zomerbloeiers (zoals gladiolen, dahlia, lelies, Iris, Montbretia, Crocosmia etc.) worden in april geplant, en zijn vanaf eind maart verkrijgbaar.
Ik heb laatst een plantje gezien (akonietje). Waar zijn ze te koop?
Winterakoniet (Eranthis hyemalis) is een vroegbloeiend bolgewasje. Het wordt in het najaar (eind september/begin oktober) geplant, en komt dan in februari/maart boven de grond, ongeveer gelijktijdig met het sneeuwklokje. Als ze het op hun standplaats goed naar hun zin hebben kunnen ze verwilderen. Ze zijn nu volop verkrijgbaar bij tuincentra. Lukt het niet om ze daar te vinden, dan worden ze ook online aangeboden door kwekerij Nijssen, www.pc-nijssen.nl en postorderbedrijf Bakker: www.bakker-hillegom.nl.
Ik wil het volgende jaar knolbegonia's in de plantenbakken doen. Heeft u die of waar kan ik ze kopen?
Knolbegonia's zijn zomerbloeiers. Ze worden in het voorjaar geplant, in goed doorlatende, niet te droge, humeuze grond. Als ze in een pot of bak geplant worden, kan dit al in februari of maart, waarbij ze binnen blijven staan totdat het gevaar voor nachtvorst geweken is. Ze kunnen buiten in de zon staan, waarbij wel regelmatig gegoten moet worden om te voorkomen dat de kluit uitdroogt. Ze zijn in het voorjaar als bol en als jonge plant algemeen verkrijgbaar bij tuincentra. U kunt ze tegen die tijd ook online bestellen, bijvoorbeeld bij www.bakker-hillegom.nl.
Vermoedelijk zijn daar verschillende redenen voor. Er zijn gevallen bekend van bomen van een soort die normaal braaf hun blad in de herfst laat vallen en in winterrust gaat, die dat tegen alle regels in, niet doen. De raadsels daaromtrent zijn nog niet geheel opgelost. Een ander soortgelijk verschijnsel (daar doelt u op) is wel min of meer verklaard. Daarbij gaat het bijna altijd om bomen die dicht bij straatlantaarns staan. Door het meerdere licht dat ze krijgen reageren de bomen minder op het korter worden van de dagen en behouden hun blad langer dan bomen die wat donkerder staan. Hoe dat in zo’n boom werkt, weet niemand nog precies. Zeker is echter wel dat een plant lichtomstandigheden waarneemt en daar op reageert. Dat geldt echt niet alleen voor bladverliezende bomen.
Graag zou ik een berk in de tuin willen hebben vanwege hun fraaie bast. Maar ze worden zo groot. Is er niet een kleiner soort met ook zo’n mooi afschilferende bast?
Juist in de winter zijn berken zo mooi vanwege de afschilferende bast. Maar inderdaad, veel soorten worden al snel te groot voor een wat kleinere tuin. Het is natuurlijk erg jammer als zo’n prachtige boom na enkele jaren moet worden gerooid. Er zijn kleiner blijvende berken, zelfs struikvormen, zoals het dwergje Betula nana, maar die vallen niet echt op vanwege hun schors. Dat geldt ook voor de heel smal groeiende Betula pendula ‘Fastigiata’of de prieelberk (B.p. ‘Youngii’) die qua formaat nog wel in een gemiddelde tuin passen. Een mooi alternatief is geen berk, maar een esdoornsoort, Acer griseum. Dat boompje wordt nauwelijks hoger dan 6 m, maar hij heeft een verbluffend mooie, sterk afschilferende kaneelbruine bast. Heel bijzonder! Bovendien groeit dit boompje heel langzaam. Het samengestelde, groene blad heeft een opvallende grijze onderkant.
Wat is een mammoetboom?
De echte mammoetboom heet Sequoiadendron giganteum. Het is een reusachtige conifeer uit westelijk Noord-Amerka met een kaarsrechte stam waaruit takken steken die eruit zien of ze erin zijn geduwd. Aan die takken groeit blauwgroen loof in de vorm van korte naaldjes en de boom vormt hangende, bruine zaadkegels. De mammoetboom wordt in Amerika wel 100 m hoog, in Europa is 50 m ongeveer het maximum. Het meest opvallend is de zachte, rode, vezelige schors die een perfect werkende brandwerende laag rond de stam vormt. Die rode schors heeft de mammoetboom gemeen met de hoogste boomsoort die onze aarde kent, de nauwverwante kustmammoetboom (Sequoia sempervirens) waarvan de reuachtige eeuwenoude exemplaren in Californië (USA) te vinden zijn (o.a. in het Redwood National Park). De hoogste meet 115 m. Bij ons doet deze boom het niet. Het is hier te koud, maar voor de laatste ijstijd (die eindigde ca. 10.000 jaar geleden) kwamen Sequoia’s op veel meer plaatsen ter wereld voor. Het was toen op aarde warmer dan nu. Een derde soort is de Metasequoia glyptostroboides die men heel lang alleen in versteende (en naar men dacht) uitgestorven vorm kende tot er in 1945 bij een tempel in Oost-Zechuan (Centraal-China) een paar enorme, levende exemplaren werden aangetroffen. Later bleken er nog veel meer te groeien in het Shui-Hsa-dal, op omgevende berghellingen op hoogten tussen 700 en 1500 m. Ze werden daar 35-50 m hoog en ze bleken vrij eenvoudig door stek te kunnen worden vermeerderd. Oude bomen hebben een stamomvang van meer dan 2 m en ze vormen zogenaamde ‘lijsten’ (een soort steunberen) onderaan de stam. Dit is een bladverliezende conifeer. In de herfst vallen de paarsgewijs geplaatste naalden samen met het verbindende twijgje af. Die naaldjes zijn van boven blauwgroen, van onderen lichtgroen, maar ze verkleuren in de herfst prachtig goudgeel. Een jonge Metasequoia (een Nederlandse naam heeft hij niet) lijkt wel wat op een moerascipres (Taxodium distichum). Beide hebben een rafelige, wat grauwbruine, afbladderende schors.
Pijpkaneel is de gedroogde en opgerolde bast van de kaneelboom. Van het kaneelbomengeslacht (Cinnamomum) bestaan verschillende soorten. De beste soort wordt geleverd door Cinnamomum zeylanicum die oorspronkelijk in Sri Lanka groeide. De Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie kreeg begin 17e eeuw het handelsmonopolie voor kaneel en Amsterdam werd in Europa dé handelsplaats in die specerij. Vanaf begin 19e eeuw werd de genoemde kaneelboom ook op Java aangeplant. Het pijpkaneel ontstaat door de bast van de boom in repen te snijden, die om stokken te rollen en zo te drogen. De oorspronkelijk grijswitte bast kleurt door het drogen warm lichtbruin. De geur en smaak zit vooral in de aanwezige oliën en enkele looistoffen. Voor kaneelpoeder worden de rolletjes fijngestampt, maar daarvoor wordt vaak een andere, iets minder aromatische en daardoor goedkopere soort gebruikt, de Chinese kaneel (C. aromaticum).
Ik ben woonachtig in de binnenstad en heb een ruim balkon op het zuiden. Hiep hiep hoera flink wat zon zou je denken....., maar helaas! In de winter en het vroege voorjaar heb ik op het hele balkon volop zon, maar zodra de zon hoger komt te staan, blijft er uitgezonderd van de balkonrand, alleen nog maar schaduw over.... De planten, uitgezonderd de balkonrand, krijgen wel veel licht, maar absoluut geen zon in de zomer. Ze staan wel erg beschut. Welke winterharde planten in potten, zou ik hier kunnen neerzetten? Is een Camellia een idee? Mijn voorkeur gaat uit naar groenbijvende planten met witte bloemen.
Met vriendelijke groeten,
Suzanne Hendrickx
Welke planten adviseert U mij om hier neer te zetten.
Vanwege de zon in het vroege voorjaar, als de grond en de planten nog bevroren kunnen zijn, is een Camellia een uitgesproken slechte keuze. Niet alleen is hij door zijn wintergroene blad heel gevoelig voor de combinatie vorst en voorjaarszon, die zelfs verbranding tot gevolg kan hebben, ook de vorstgevoelige knoppen zullen het zwaar te verduren hebben. Hetzelfde geldt eigenlijk voor alle bladhoudende planten, maar een wat kleiner blijvende of makkelijk bij te snoeien, en goed winterharde soort als de Skimmia, Viburnum tinus of een niet te groot wordende Rhododendron zijn iets minder kwetsbaar, en kunnen misschien tijdens de zonnige dagen in het vroege voorjaar tijdelijk in een schaduwhoek gezet of afgeschermd worden.
Veel meer ideeën voor beplanting staan beschreven in het boek Balkontuin en dakterras van Florentine Eeghen-Elias, uitgegeven door Terra, en online te bestellen via winkel.bruna.nl. Om de ideeën over planten, potten en andere aspecten in het echt te bekijken kunt u vanaf 1 maart natuurlijk ook weer terecht in de Tuinen van Appeltern.
Wij hebben een appartement gekocht met een groot terras (200 m2). Op een deel daarvan willen we graag een "platanenlaantje" maken van 6 à 8 dakplatanen (horizontaal scherm). De dakplatanen komen dus in grote bakken te staan. Op uw site is te vinden hoe ver de bomen van elkaar moeten staan als ze in een tuin geplant worden. Hoe ver kunnen ze van elkaar af staan in bakken zodat we toch een mooi dicht schaduwlaantje krijgen? Welke dakplatanen kunnen we het beste aanschaffen, hoe groot moeten de bakken zijn? Is een grootte van 80x80x80 voldoende? Is het mogelijk bijvoorbeeld cocopeat te gebruiken in plaats van "gewone" aarde? Er moet namelijk met een maximumgewicht van ongeveer 400 kilo per m2 rekening gehouden worden. Voor de terrastegels is al een gewicht van 100 kg. per m2 genoemd, dus rest er nog 300 kg.
De plantafstand blijft ongeveer hetzelfde, ook op een dakterras worden het flinke bomen. Er is maar 1 soort dakplataan. Het maakt qua gewicht niet veel uit of u cocopeat of tuinaarde gebruikt, het gewicht is ongeveer evengroot wanneer de grond doornat is (wat de maximale belasting bepaalt). Wel zal tuinaarde of speciale bomengrond voor deze bomen een betere verankering van de bomen opleveren dan het lichte cocopeat, dat bovendien weinig voedsel bevat.
Een bakgrootte van 80x80x80 cm is klein voor deze bomen, het wortelstelsel moet voor een stevige verankering ongeveer even groot zijn als de kroon. Een plantgat in de grond is minimaal 1x1x1 m. Als dat niet kan mogelijk is wordt in de bakken vaak een extra verankering toegepast, zodat de bomen toch stevig staan. Voor een exact advies kunt u het beste contact opnemen met een bedrijf dat in daktuinen gespecialiseerd is. Zij kunnen u ook adviseren of assisteren bij de aanleg en het onderhoud (snoei en bemesting). Onze tuinbemiddelingsservice kan u doorverwijzen naar een deskundig bedrijf in uw regio: www.appeltern.nl/cms/tuinbemiddelingsservice.html
Mijn dochter is verhuisd en is nu de trotse bezitter van een dakterras van 25 m2. Als tuinengek mag ik het inrichten. Vraag 1: is er een voorbeelddaktuin in Appeltern aanwezig. Vraag 2 Heeft u ideeën voor mij?
Er zijn zelfs meerdere dakterrassen te bewonderen in de Tuinen van Appeltern. Een indruk van de mogelijkheden kunt u ook krijgen via het boek Balkontuin en dakterras van Florentine Eeghen-Elias, uitgegeven door Terra, en online te bestellen via winkel.bruna.nl. Om de ideeën over planten, potten en andere aspecten in het echt te bekijken kunt u dan een bezoek brengen aan de Tuinen van Appeltern. Twijfelt u daarna nog aan de keuzes, dan kunt uiteraard altijd een beroep doen op de Schetsservice om de puntjes van het plan op de 'i' te zetten voordat u daadwerkelijk aan de slag gaat.
Mijn dochter is verhuisd en is nu de trotse bezitter van een dakterras van 25 m2. Als tuinengek mag ik het inrichten. Vraag 1: is er een voorbeelddaktuin in Appeltern aanwezig. Vraag 2 Heeft u ideeën voor mij?
Er zijn zelfs meerdere dakterrassen te bewonderen in de Tuinen van Appeltern. Een indruk van de mogelijkheden kunt u ook krijgen via het boek Balkontuin en dakterras van Florentine Eeghen-Elias, uitgegeven door Terra, en online te bestellen via winkel.bruna.nl. Om de ideeën over planten, potten en andere aspecten in het echt te bekijken kunt u dan een bezoek brengen aan de Tuinen van Appeltern. Twijfelt u daarna nog aan de keuzes, dan kunt uiteraard altijd een beroep doen op de Schetsservice om de puntjes van het plan op de 'i' te zetten voordat u daadwerkelijk aan de slag gaat.
Ik wil mijn zoon en schoondochter helpen om hun stadstuin in te richten. Ze hebben geen aarde, maar een plankenvlonder boven de parkeergarage. We moeten dus met kuipplanten werken. Heeft u een advies voor groenblijvende planten, voor een kruidentuintje, voor zomerbloeiers en voor een bevloeiingssysteem?
Om een eerste idee te krijgen van de mogelijkheden zou u eens kunnen kijken in het boek Balkontuin en dakterras van Florentine Eeghen-Elias, uitgegeven door Terra, en online te bestellen via winkel.bruna.nl. Om de ideeën over planten, potten en andere aspecten in het echt te bekijken kunt u vervolgens een bezoek brengen aan de Tuinen van Appeltern. Twijfelt u daarna nog aan de keuzes, dan kunt uiteraard altijd een beroep doen op de Schetsservice om de puntjes van het plan op de 'i' te zetten voordat u daadwerkelijk aan de slag gaat.
We hebben een schuurtje gebouwd met plat dak, oppervlakte bijna 4 m2, vol op het zuiden. Daarop willen we graag een (onderhoudsvrij/arm) sedumdak plaatsen. De beschikbare vrije ruimte is zo'n 12 cm (bovenop dakbedekking, onder boeiboord). Diverse leveranciers praten over 'Sedummatten' met meerdere soorten. Maar hoe weet ik wat dat precies voor planten zijn, wanneer ze bloeien enzovoort. Misschien wil ik wel twee of drie soorten die meer eenheid uitstralen (we kijken vanuit diverse kamers op het dak uit). Kortom, waar vind ik hierover meer info (boek, leveranciers, website)? En is er een (onderhoudsvrij/arm) alternatief voor Sedum?
Er is op internet erg veel informatie te vinden over daktuinen en vegetatiedaken. In allerlei vormen en maten, intensief, extensief en noem maar op.
(Open een nieuwe webpagina en kopieer de link naar het browserveld, waar u normaal het internet intypt).
Kijk eens op www.groenophetdak.nl, www.daktuin.tk, www.dakweb.nl/RB/97-6/97-6-6.htm, of de zeer informatieve site van de gemeente Amsterdam met een complete Handleiding Daktuinen op www.dro.amsterdam.nl/smartsite.dws?id=6069, of op www.vhall.nl/VanHallInstituut/VirtueleRondleding/Topic190.htm of op www.dakweb.nl/rh/97-11/97-11-10.htm.
Links naar informatieve sites van bedrijven die daktuinen aanleggen: www.ahdaktuinadvies.nl, www.webouw.com/daktuinen.htm, www.oranjewoud.nl (kopje Stedelijke Gebieden), www.vandertolbv.nl/daken/index.html, optigroen.punt.nl, www.binder.nl Op d website www.bam.nl/baminternet/baminternet/portalen/mostertdewinter_nl is onder het kopje Daktuinen / vegetatiedaken staat een uitgebreide beschrijving van de Xeroflor producten te vinden.
Links naar bedrijven die vegetatiematten kunnen leveren: www.ekogras.com. Een doe-het-zelf Sedum-pakket kunt u bestellen bij www.sedumpakket.nl (met een complete handleiding voor de aanleg op de website), terwijl ook op de website van het bedrijf dat dit pakket ontwikkeld heeft(www.sempervirensbv.nl) nog mooie illustraties te vinden zijn van de opbouw van deze matten, en eventuele alternatieven c.q. uitbreidingsmogelijkheden qua beplanting.
Kunt u mij helpen aan inlichtingen betreffende groene daken? Soorten, onderliggende constructies, firma's, foto's enz.?
Er is op internet erg veel informatie te vinden over daktuinen en vegetatiedaken. In allerlei vormen en maten, intensief, extensief en noem maar op.
(Open een nieuwe webpagina en kopieer de link naar het browserveld, waar u normaal het internet intypt).
Kijk eens op www.groenophetdak.nl, www.daktuin.tk, www.dakweb.nl/RB/97-6/97-6-6.htm, of de zeer informatieve site van de gemeente Amsterdam met een complete Handleiding Daktuinen op www.dro.amsterdam.nl/smartsite.dws?id=6069, of op www.vhall.nl/VanHallInstituut/VirtueleRondleding/Topic190.htm of op www.dakweb.nl/rh/97-11/97-11-10.htm.
Links naar informatieve sites van bedrijven die daktuinen aanleggen: www.ahdaktuinadvies.nl, www.webouw.com/daktuinen.htm, www.oranjewoud.nl (kopje Stedelijke Gebieden), www.vandertolbv.nl/daken/index.html, optigroen.punt.nl, www.binder.nl.
Links naar bedrijven die vegetatiematten kunnen leveren: www.ekogras.com. Een doe-het-zelf Sedum-pakket kunt u bestellen bij www.sedumpakket.nl (met een complete handleiding voor de aanleg op de website), terwijl ook op de website van het bedrijf dat dit pakket ontwikkeld heeft(www.sempervirensbv.nl) nog mooie illustraties te vinden zijn van de opbouw van deze matten, en eventuele alternatieven c.q. uitbreidingsmogelijkheden qua beplanting.
Op mijn balkon wil ik graag een klimplant in een pot plaatsen. Bloeiend (kleur maakt niet veel uit) en winterhard. Balkon op het zuiden. Welke plant is hiervoor geschikt?
Veel klimmers vallen af omdat ze te hard groeien. Op een balkon moet een plant af en toe verplaatst kunnen worden, en zal dan dus snoei moeten kunnen verdragen. Ook is het wel aardig als de regenpijp heel blijft, dus sterk windende en wirgende planten zijn ook geen optie. Blijft over een Clematis, zoals de grootbloemige cultivars die op het jonge hout bloeien, of een kamperfoelie. De laatste zou onbetwist mijn voorkeur hebben, in de vorm van de half wintergroene Lonicera japonica 'Hall's Prolific'. Hij bloeit van juli tot laat in de herfst, met witgele, sterk geurende bloemen. Het is geen snelle, maar wel een gestage groeier.
Zowel voor Clematis als Lonicera geldt: zet hem in een grote pot, met een wintergroene struik erbij (of in een aparte pot ernaast) die ervoor zorgt dat de wortels en de onderzijde van de stam uit de zon staan. Een wintergroene struikkamperfoelie als Lonicera nitida 'Elegant' is daar geschikt voor, maar bijvoorbeeld een ook in het najaar bloeiende Hebe kan ook. Zorg voor een grote pot (die ook in de winter buiten kan blijven staan, dus geen terracotta), met een goede ontwatering en een humeuze, doorlatende potgrond.
Jazeker. Er zijn zelfs bloemen die alleen door hommels bestoven kunnen worden. Dat geldt bijv. voor akelei, monnikskap, lupine enz. Dat komt doordat hommels forse en sterke insecten zijn. Ze weten bloemen binnen te dringen (op zoek naar voedzame nectar, het honingvocht) waar bijv. bijen niet bij kunnen. De nectar werken ze met hun lange tong naar binnen en als die tong toch nog te kort mocht zijn (bij een extra lange bloembuis), dan kennen ze een trucje. Ze bijten een gaatje in de bloembuis en zuigen de nectar alsnog op. In het laatste geval wordt de bloem van nectar beroofd zonder te worden bestoven. In alle andere gevallen brengen de hommels, net zoals bijen, in hun harige vachtje stuifmeel van de ene bloem op de andere over en kan vruchtvorming volgen. Hommels kunnen al heel vroeg in het jaar actief zijn, omdat ze niet helemaal koudbloedig zijn. Ze kunnen hun eigen lichaamstemperatuur een beetje regelen. Daardoor kunt u ze ook tijdens wat koude, bewolkte dagen in de weer zien.
Hoe ziet een mierennest er van binnen uit?
Mierennesten bestaan uit ‘kamers’ die door gangen zijn verbonden. Het kan een enorm complex zijn, waarin allerlei ‘afdelingen’ zijn te ontdekken: voorraadkamers, ruimten voor opgroeiende larven en andere speciaal voor poppen (het ‘mierenbrood’), eigen vertrekken voor de mierenkoningin en haar helpsters, wachtruimtes voor de ‘soldaten’ enz. De klimaatregeling (frisse lucht, gelijkmatige temperatuur en luchtvochtigheid) is er uitstekend geregeld. Ieder mierennest is een stad op zich en heeft ook een eigen geur die de mieren met zich mee dragen. Met ‘vreemdelingen’ (mieren met een andere geur) wordt korte metten gemaakt. Als mieren uit verschillende nesten elkaar ontmoeten kan dat tot complete oorlogen leiden. Het leven van de honderden verschillende soorten mieren kan totaal verschillend zijn. Er zijn bijv. roofmieren die levende, dierlijke prooien vangen, andere die van de zoete uitwerpselen van bladluizen leven en weer andere die in hun nesten hele schimmelkwekerijen opzetten. De laatste snijden stukjes blad af en brengen die naar ruimten in het nest waar ze er schimmels op laten groeien, waar die mieren van leven. Iets ‘kweken’ is dus helemaal geen exclusieve, menselijke bezigheid. In iedere tuin valt wel iets van zulk mierenleven te ontdekken.
Ik heb last van katten in de tuin. Ik heb korrels en andere chemische produkten geprobeerd, maar niks haalt wat uit. De stank wordt langzamerhand ondraaglijk, hoe hou ik die beestjes uit mijn tuin?
Het is (net als bij het verjagen van mollen) een kwestie van uitproberen, wat bij een werkt, heeft bij de ander soms geen effect en andersom.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Katten
Katten stellen menig tuinliefhebber voor problemen. Hoe leuk of lief ze ook zijn, ze kunnen de planten uitgraven, de vogels verjagen of de tuin (maar dan liefst die van de buren) tot grote kattenbak verklaren. Zeker in de moestuin is het achterlaten van uitwerpselen ongewenst omdat daarmee infecties zoals wormen verspreid kunnen worden.
Hoe kunnen katten uit de tuin geweerd worden (of de eigen katten binnen de tuin gehouden worden)?
Door een hek te plaatsen met verticale latten, zo hoog dat ze er niet (gemakkelijk) overheen kunnen klimmen, en waar ze ook niet onder door kunnen. Om eigen katten in de tuin te houden kan op de schutting kattenschrikdraad aangebracht worden. Dit speciale schrikdraad heeft een lager voltage dan het schrikdraad dat rond weilanden gebruikt wordt. Het is onder meer verkrijgbaar bij of via de winkels van de boerenbond, www.boerenbond.nl.
Hoe wordt de tuin minder aantrekkelijk voor katten?
Katten hebben over het algemeen een hekel aan water. Als ze een paar keer een douche met de tuinslang, uit de tuinsproeier, van een met water gevulde emmer of een waterpistool gehad hebben lopen ze alleen nog maar schichtig langs de tuin. Gaat het om een bepaalde plek waar de katten ongewenst zijn, bijvoorbeeld de omgeving van de vijver, dan kan een zogenaamde reigerschrik geconstrueerd worden. Hiervoor zijn een goede bewegingssensor, een fontein- of vijverpompje en een sproeikop nodig. De sensor wordt op de schutting of een paal gemonteerd zodanig dat de kat bij zijn tocht naar de vijver door het detectieveld van de sensor loopt. De pomp wordt op de sensor aangesloten en met de erop gemonteerde sproeikop in de vijver gehangen of in het vijverfilter gelegd. Door een op afstand bedienbare schakelaar op het geheel aan te sluiten kan voorkomen worden dat passanten die wel gewenst zijn ook een nat pak oplopen.
Op plekken waar geen regen komt kunnen langs de tuingrens (niet in de buurt van de moestuin i.v.m. de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen) mottenballen gelegd worden, of met citroensap besprenkelde stof of ander materiaal. Hertshoornolie (verkrijgbaar of te bestellen bij de drogist) zou, voor katten nog meer dan voor mensen, een enorme stank verspreiden. Kattenschrik van fabrikant Ecostyle vinden de meeste katten ook onaangenaam ruiken.
Wie er de ruimte voor heeft kan stinkende planten als wijnruit (Ruta graveolens), boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) of afrikaantjes (Tagetes) zaaien of planten. Planten met citroengeur ruiken voor katten ook niet lekker: citroenmelisse (Melissa officinalis), citroentijm (Thymus citriodorus), of in potten (want niet winterhard) citroenverbena (Aloysia triphylla) of citroengeranium (Pelargonium crispum).
Hoe kan voorkomen worden dat katten steeds op bepaalde plekken graven?
Op plekken waar katten veel graven kan koffiedrab aangebracht worden. De koffieresten komen in de vacht van de kat terecht, die dat vervolgens niet prettig vindt. Stekelige takken (snoeiafval) tussen de planten worden ook niet gewaardeerd. Saté-prikkers verticaal tussen de beplanting zetten heeft hetzelfde effect, evenals het horizontaal aanbrengen van fijnmazig gaas of een grondbedekking met cacaodoppen (verkrijgbaar bij tuincentra). Zodra de grond begroeid is met bodembedekkers neemt het probleem af. Gaat het om incidenteel bezoek dan wil het strooien van peper (bij droog weer) ook wel eens helpen om ze uit een bepaalde hoek weg te houden.
Hoe kan ervoor gezorgd worden dat de kat maar een bepaald gedeelte van de tuin gebruikt?
Door planten aan te planten die katten erg aantrekkelijk vinden kunnen ze afgeleid worden, zodat ze alleen daar bij in de buurt gaan zitten en de rest van de tuin met rust laten. Katten schijnen de geur van de volgende planten (in combinatie met een zonnige, zachte ligplek) erg prettig te vinden: kattenkruid (Nepeta faassenii), gamander (Teucrium), schildzaad (Alyssum), steenanjer (Dianthus deltoides), vetmuur (Sagina), (sier)haver of andere zachte lage grassoorten en kattengras (Cyperus zumula, niet winterhard).
Ik heb een dakterras met veel planten. Sinds een paar jaar heb ik reeds last van een mierenplaag. Ik heb allerlei middeltjes geprobeerd (ook mierenpoeder) maar dan lopen ze verderop rustig weer verder. Vele lokdoosjes gekocht maar ze blijven overal lopen. Is er iets aan te doen?
Sprays, poeders en lokdoosjes werken maar tijdelijk. Bovendien worden lokdoosjes nog wel eens genegeerd. Misschien kunt u enkele planten op het terras zetten die een geur verspreiden waar de mieren een hekel aan hebben. Deze hebben een langduriger werking, en ze lopen er wat minder makkelijk omheen.
Meer over mieren en wat u er tegen kunt doen kunt u lezen in de volgende tekst.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Mieren in de tuin
De gewone inheemse zwarte en rode mieren komen normaal gesproken niet in huis. Als ze daar toch rondwandelen, dan hebben ze daar een voedselbron ontdekt. Als de voedselbron verdwijnt, zijn de mieren meestal ook snel weer weg. Binnenshuis komen ook wel tropische mier voor, bijvoorbeeld de faraomier. Dit is een heel klein, 2 tot 3 mm groot miertje, dat binnenshuis nestelt. De tropische mieren moeten zo snel mogelijk door een professionele bestrijder aangepakt worden, voordat ze de kans krijgen zich door een heel woonblok te verspreiden. Voor de bestrijding van de tropische mieren worden lokdozen gebruikt met de werkzame stof hydramethylnon, die door particulieren niet gebruikt mogen worden.
De inheemse mieren in en om huis zijn meestal zelf wel te verjagen, te verplaatsen of te bestrijden. In de tuin behoren ze bovendien tot de ‘nuttige insecten’:
Vervelende eigenschappen van de mieren:
- ze verspreiden bacteriën, waardoor voedsel sneller bederft;
- ze verzorgen en verspreiden luizen;
- ze doden de larven van o.a. het lieveheersbeestje, de natuurlijke vijand van de luizen;
- ze knagen gangen in de bast van planten;
- ze halen zand uit de bodem en onder verharding vandaan, die daardoor los kan komen te liggen;
- ze verplaatsen zaden;
- ze ondergraven planten, die daardoor kunnen afsterven.
Leuke eigenschappen van mieren:
- ze ruimen afval in de tuin op en dragen bij aan het composteringsproces;
- ze houden de grond of de composthoop luchtig;
- ze verspreiden zaden;
- ze ruimen afgevallen of ziek fruit op;
- ze doden larven, rupsjes etc. en helpen zo bij de bestrijding van insectenplagen.
Tijdens de winter is er doorgaans geen mier te zien, maar zodra het nest warm wordt in de voorjaarszon komen ze tevoorschijn. Afhankelijk van de plek waar ze overlast geven, en de mate waarin, kunnen ze met de volgende maatregelen op afstand gehouden worden.
Bestrijding binnenshuis
 Mieren zijn dol op zoetigheid. Sluit alle potten en dozen goed af en zorg dat ook de buitenkant schoon is. Laat geen vuil vaatwerk staan. Maak naden en kieren goed dicht, zodat de mieren niet makkelijk naar binnen kunnen.
 Voorkom het ontstaan van nesten in de buurt van terras- of keukendeuren, door de verharding daar aan te leggen op klapzand in plaats van op fijn zand. Klapzand is te fijnkorrelig voor mieren om prettig nesten in te kunnen bouwen. Voegen tussen tegels kunnen ook afgewerkt worden met een product als Topvoeg.
Bestrijding buitenshuis
 Sluit afvalemmers goed af, en laat geen vuil vaatwerk of lege verpakkingen buiten staan. Ruim rottend hout, boomstronken etc. op.
 Zet planten neer, of strooi blad van planten waar mieren een hekel aan hebben, zoals lavendel (Lavandula), tomaat, afrikaantjes (Tagetes), boerenwormkruid (Tanacetum vulgare), wilde munt (Mentha pulegium), wijnruit (Ruta graveolens), rozemarijn (Rosmarinus), marjolein (Origanum vulgare), kruizemunt (Mentha crispa), lavas of maggiplant (Levisticum officinalis), absinth (Artemisia absinthium), brandnetel of enkelbloemige goudsbloem.
 Houdt de aanwezigheid van bladluizen binnen de perken door af en toe te sproeien met een oplossing van zeepsop en spiritus. De honingdauw die de luizen afscheiden wordt door de mieren geoogst. De mieren eten de larven van lieveheersbeestjes, de natuurlijke vijand van de luis.
 Zorg voor een onderbreking in de looproute van de mieren. Zo kan bereikt worden dat ze niet via het favoriete zonplekje in het gazon wandelen, of, bij een drastische aanpak, dat de mieren het nest niet meer terug kunnen vinden. In dat laatste geval stopt de aanvoer van voedsel naar het nest, dat daardoor uit zal sterven. Voor een verstoring van de route zijn de volgende middelen (soms) effectief: witte of rode peper, koffiedik of restjes koffie, gesnipperde ui, uiensap, fijngemaakte knoflook, een aftreksel van knoflook, afwasmiddel met citroengeur, schijfjes citroen, blad van een notenboom of varend, of koper (koperdraad of muntjes). Ook kan kruidnagel in kieren of voegen gestoken worden.
 Zit het nest in de losse grond, dan kan het met een spade opgenomen worden, en elders, waar het minder overlast geeft, weer gedeponeerd worden. Kan het nest niet uitgespit worden, dan kunnen met tuinaarde gevulde bloempotten omgekeerd op de ingang van het nest gezet worden. Na circa twee weken hebben de mieren het nest verplaatst naar de bloempot, waarvan de inhoud dan weer elders weggegooid kan worden.
 Milieuvriendelijk maar niet aardig voor de mieren is het overgieten van het nest of de ingangen met kokend water. Dit kan na enkele dagen herhaald worden. Eventueel kan wat zout of soda aan het water toegevoegd worden.
 Ook kunnen mierenvalletjes gezet worden. De recepten verschillen, de methode is gelijk: de mieren nemen zoetigheid met gist mee naar het nest. Na het eten begint de gist te zwellen en overlijden de mieren. Recepten: keukenstroop + bakkergist, poedersuiker + droge gist enzovoort op een droge plek bij het nest neerleggen of in een ondiep schaaltje doen. Er is ook een giftige variant, maar die moet afgedekt worden zodat bijen er niet aan kunnen komen. Hierbij worden fruitschillen neergelegd die gevuld zijn met enkele lepels honing of een dikke siroop waar een theelepel borax doorheen gemengd is. Een derde methode bestaat uit een glas of jampot met onderin een laag dikke siroop of honing. De mieren komen er wel op af, maar kunnen het glas of de pot niet meer uit omdat ze vastplakken aan de zoetigheid.
 Zitten er mierennesten in potten of kuipen dan kunnen deze enkele uren tot aan de rand ondergedompeld worden in een bak met water.
 Komen de mieren vooral op (rijp) fruit in bomen of heesters af, dan kan de Lijmband tegen mieren van Ecostyle helpen om ze bij het fruit weg te houden.
 Er zijn bij de drogist en het tuincentrum verschillende milieuvriendelijk middelen te koop. Mierenspray (Ecostyle) bevat kaliumzout en vetzuren, en daarnaast mintolie voor een frisse geur. Het Mierenpoeder van Ecostyle is gebaseerd op natuurlijke geurstoffen die de mieren op afstand houden. Spruzit (ook van Ecostyle) bevat pyrethrine en piperonylbutoxide van plantaardige oorsprong. Beide stoffen worden ook gebruikt in middelen ter (biologische) bestrijding van ander ongedierte, zoals luizen en teken. Roxasect GL Poeder tegen mieren werkt op basis van geconcentreerd uiensap. Van fabrikant Bayer is er Mierenpoeder voor buitenshuis op basis van natuurlijke geurstoffen.
 Helpen de biologische methoden niet dan zijn er bij tuincentra ook verschillende chemische middelen te koop, zoals sprays, poeders en lokdozen. Het nadeel hiervan is dat de mieren buiten het nest of buiten de lokdoos sterven. Als de dode mieren door vogels en andere dieren gegeten worden, kunnen ook zij de chemische stoffen binnenkrijgen. Veel van de chemische bestrijdingsmiddelen (zoals trichloorfon) zijn ook zeer schadelijk voor bijvoorbeeld bijen en waterdieren. Lees in ieder geval de gebruiksaanwijzing van de fabrikant voor gebruik goed door. Gebruik ze met mate, liefst op een plek waar ze niet nat worden in de regen of waar andere dieren (of kleine kinderen) er makkelijk bij kunnen. De werking van veel insecticiden is tijdelijk. Een spray of strooipoeder werkt maximaal 2 weken, of totdat het door de regen is verdund of weggespoeld. Een lokdoosje werkt circa 4 weken. Restanten van bestrijdingsmiddelen horen thuis bij het chemisch afval. Bathion mierenpoeder (Bayer) op basis van foxim mag wel in gazons of op terrassen gebruikt worden, maar niet in de buurt van vijvers en andere waterpartijen. Tenslotte zijn er de lokdozen, onder andere van fabrikanten Bayer en Roxasect, met als werkzame stof trichloorvos.
We hebben een grote tuin op leemhoudende zandgrond met een grote vijver en we hebben chronisch last van mollen in het gazon. Wat kunnen we er tegen doen? Ze allemaal vangen lukt niet.
U geeft aan dat het om een flinke tuin gaat. Dat betekent dat de meest effectieve methode (ondergronds omrasteren) nogal wat werk met zich meebrengt. Misschien is een van de hierna genoemde verjagingsmethoden bij u effectief. Het is een kwestie van uitproberen, wat bij een werkt, heeft bij de ander soms geen effect en andersom.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Mollen
De mol (Talpa europea) is een solitair levende insecteneter. Hij is in Nederland en België niet beschermd. Het is in de tuin eigenlijk een zeer nuttig dier, dat de larven van schadelijke insecten opruimt, en zorgt voor beluchting en drainage van de grond. Maar ja, hij graaft gangen op plekken waar we die soms minder graag zien. Vooral in het voorjaar, als de heren op zoek gaan naar een partner, en eind juni, als dat tot nakomelingen heeft geleid, gaan de mollen aan de wandel. Ze verlaten dan hun territorium, dat al gauw 400 m2 kan beslaan, en kunnen dan met een vaartje van maximaal 15 m per uur flink doorstomen. Het gangenstelsel van een enkele mol kan wel 150 m lang zijn. Mollen hebben geven de voorkeur aan wat lossere, humeuze grond, die rijk is aan wormen en ander bodemleven. Hoe minder obstakels (boomwortels etc.) zich daarin bevinden hoe beter. Kortom, de voorkeur gaat dus onmiskenbaar uit naar uw grasveld.
Hoe kunnen mollen geweerd worden? Ze hebben een fijne neus, die een hekel heeft aan de geur van keizerskroon (Fritillaria imperialis) en de voor mens en dier giftige kruisbladige wolfsmelk (Euphorbia lathyrus). De eerste is een lelieachtig bolgewas, dat in het voorjaar geplant wordt en dan ook algemeen verkrijgbaar is. De tweede is een inheemse tweejarige plant, die het beste ter plekke gezaaid kan worden op een zonnige plek in de tuin. De aanwezigheid van enkele van deze planten zou mollen op een afstand houden. Ook kan er iets in de verse mollengangen gelegd worden dat de mol vindt stinken: snippers knoflook of ajuin, mottenballen, een in terpentine of ammonia vochtig gemaakte of met Eucalyptus-olie besprenkelde doek, of speciale mollenballen (te koop bij tuincentra). Dit moet bij de eerst opkomende molshoop toegepast worden. Is er al een heel gangenstelsel, dan werkt de geurafschrikking minder goed.
Als de mollen jaren achtereen terugkomen, kan het de moeite lonen de tuin te omrasteren met fijnmazig volièregaas dat tot op de diepte van het grondwater ingegraven wordt. (Pas op, gewoon kippengaas heeft veel te grove mazen, daar kunnen ze nog zo doorheen). Een zelfde effect zou bereikt kunnen worden door rond de tuin een flinke geul te graven (60 cm diep, 40 cm breed) en die te vullen met vette kleigrond, grind en stenen. Omdat mollen een hekel hebben aan sterk verdichte grond en obstakels zouden de hierbij rechtsomkeer maken.
Mollen ruiken niet alleen goed, hun gehoor is ook prima. Ze hebben een hekel aan hoge, fluitende tonen. Daarom kan het helpen een fles zonder bodem (met de hals naar boven) in de verse mollengang te steken. Bij tuincentra zijn apparaatjes te koop die trillingen veroorzaken die de mol (maar ook veldmuizen en woelratten) niet waarderen. Een vergelijkbaar effect zou bereikt kunnen worden door speelgoed-windmolentjes op metalen prikkers in de gangen te prikken. Als de wind de wieken laat draaien trilt de staander, wat de mol onaangenaam zou vinden.
Vangen kan natuurlijk ook. Er zijn speciale vangkooitjes op de markt, die in een verse gang geplaatst kunnen worden. De mol kan dan elders weer vrijgelaten worden. De kooien moeten dan wel minstens iedere 12 uur gecontroleerd worden, omdat de mol niet langer zonder voedsel kan.
Tot zover de diervriendelijke methoden. De mol kan ook gedood worden (tenzij vangen lukt) met behulp van een spade en een emmer. De molshopen worden daartoe vanuit het midden ingedrukt. Als er een molshoop beweegt, loop er dan voorzichtig naar toe. Wacht even tot de mol de hoop weer omhoog duwt, steek de spade in de loopgang, en gooi de grond (met hopelijk de mol erin) omhoog. Als de mol nog leeft kan hij in de emmer, en elders weer uitgezet worden. Mollen kunnen venijnig bijten en zo flinke infecties veroorzaken, dus stevige handschoenen zijn bij deze methode geen luxe.
Bij tuincentra zijn mollenklemmen en rookpatronen te koop die de mol in de gang doden. Voor het afsteken van de rookpatronen moeten wel alle gangen goed afgesloten worden, anders heeft dit geen effect. De rookpatronen werken op basis van zwavel, en zijn giftig voor mens en (huis)dier.
Tenslotte is in de meeste gemeenten een mollenvanger actief, die beschikt over de nodige ervaring en middelen om de mol te verdrijven of te verwijderen.
Wat kan ik tegen de slakken doen, want die zijn namelijk gek op mijn Ligularia dentata.
Waar slakken van houden (helaas dus van Ligularia) en wat u ertegen kunt doen, kunt u lezen in onderstaande tekst.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Slakken in de tuin
Zodra de winter over is komen de eerste slakken te voorschijn. Vooral de naaktslakken komen in een waar paradijs terecht: overal jong opschietend groen, en nog vochtige weersomstandigheden. Vooral nieuwe scheuten en zaailingen zullen het slachtoffer zijn van hun vraat. De huisjesslakken leven vooral van plantaardig afval, richten minder schade aan, en verrichten door hun bijdrage aan het composteringsproces voornamelijk nuttig werk in de (moes)tuin.
Slakken leggen veel eieren, tot 400 stuks per keer. De eitjes komen na 3 weken uit, en de nakomelingen zijn na 2 maanden volwassen. Als de slakken vroeg in het voorjaar al overlast geven, kan het later in het jaar dus tot een flinke plaag leiden. Slakkenvraat is te herkennen aan gaatjes midden in het blad. Ook de slijmsporen verraden de aanwezigheid van slakken, en soms ook hun schuilplaats. Slakken drogen uit in de zon, en zijn dus vooral ’s avonds of ’s nachts actief, of bij bewolkt weer na een regenbui ook overdag. In een tuin met een grote slakkenpopulatie kunnen de planten dan ook beter vroeg in de ochtend de planten water te geven of te besproeien. De bladeren zijn dan overdag eerder droog, en ’s avonds is het minder vochtig in de tuin.
Goede schuilplaatsen voor slakken zijn: hoog gras of onkruid in een hoek van de tuin, blad- of composthopen (ze kunnen zelfs eieren in de compostton leggen!), gemulchte grond, grote kluiten of stenen, boomschors, holle stokken, vochtige plekken en vijvers. Coniferen trekken slakken aan. Sommige plantensoorten zijn ook erg smakelijk voor de slak: hartlelie (Hosta), scheefkelk (Iberis), Ligularia of sla.
Afhankelijk van de mate van overlast en de mogelijkheden in uw tuin kan er voor gekozen worden de slakken op afstand te houden, of om ze te bestrijden.
 Slakken hebben een hekel aan scherpe materialen of droge grond. Ze verschuilen zich er niet graag in, en kruipen er ook niet graag overheen. Zo kan rond kwetsbare planten of plekken een barrière opgeworpen worden van grind, schelpengrit, fijngemaakte eierschalen, een zandsleuf, zaagsel of cacaodoppen. Ook het strooien van zwavel of kiezelwierpoeder rond de planten kan helpen. Slakken kunnen bovendien niet goed tegen cafeïne. Koffiedik of theebladeren kunnen dan ook prima rond de kwetsbare planten gestrooid worden.
 Er zijn planten die ze door hun sterke geur op afstand houden: Oost-Indische kers (Tropaeolum), hysop (Hyssopus), salie (Salvia officinalis), tijm (Thymus), maar ook tomaat of teentjes knoflook.
 Door vogels en egels, de natuurlijke vijanden van de slakken, aan te trekken kunnen zij bijdragen aan de bestrijding ervan.
 Door een speciale schuilplaats voor de slakken te creëren (bijvoorbeeld van dakpannen of rabarberblad), kan ervoor gezorgd worden dat ze zich daar ’s nachts verzamelen. De volgende ochtend kunnen ze van de onderzijde afgeplukt worden. Ook kunnen ze ’s avonds, wanneer ze op pad gaan, geraapt of gevangen worden. Eventueel kunnen ze nog extra gelokt worden door iets dat sterk naar gist ruikt: een ingegraven bekertje met melk en daarin een gistblokje opgelost, of gistrijk bier. De slakken komen op de vloeistof af, vallen erin en kunnen er niet meer uit. Van het merk Nortene is zelfs hiervoor zelfs een speciale slakkenval op de markt gebracht.
 In de tuinbouw worden slakken tegenwoordig wel bestreden door een aaltje (Phasmarhabditis) uit te zetten. Deze aaltjes worden in een vloeistof geleverd. Na het uitgieten hiervan parasiteren ze in de slakken, waarna de slakken sterven. Zijn de slakken op, dan sterven ook de aaltjes.
 Ook zijn er bij tuincentra slakkenkorrels te koop die de slakken doden. Biologisch afbreekbare korrels, zoals Escar-Go van fabrikant Ecostyle op basis van ijzerfosfaat, doden alleen de slakken, maar zijn verder niet giftig, ook niet voor honden, katten, vogels of egels. Ze zouden vooral goed werken tegen naaktslakken. Andere slakkenkorrels hebben vaak meer bijwerkingen. De chemische stoffen, zoals metaldehyde, kunnen zich ophopen in het vet van dieren die veel slakken eten, waar ze later last van kunnen krijgen. Lees in ieder geval de gebruiksaanwijzing van de fabrikant voor gebruik goed door. Gebruik ze met mate, liefst op een plek waar ze niet nat worden in de regen of waar andere dieren zoals vogels of egels er makkelijk bij kunnen. Zo kunt u ze onder een dakpan verstoppen, of in een horizontaal gelegde pot of buis met niet al te brede hals of doorgang. Merken: Slakkenkorrels Metald® of Mesurol slakkenkorrels van Bayer, Super van Luxan en Pokon slakken STOP. Aan de laatste twee merken is een bittere smaakstof toegevoegd om ze minder aantrekkelijk te maken voor kinderen en huisdieren.
Hoe kan ik padden uit mijn tuin verjagen? Ze hoeven uiteraard niet dood, maar is er niet een of ander huismiddeltje waar ze een hekel aan hebben? Ik ben als de dood voor ze (alhoewel ik weet dat ze niets doen) en ze vergallen me al jaren het tuinplezier.
De gewone pad (Bufo bufo) is, net als alle in Nederland levende amfibieën, beschermd. U mag hem dus niet het leven onmogelijk maken. Maar het is misschien wel mogelijk uw tuin minder aantrekkelijk te maken voor langdurig verblijf. Helaas heb ik geen huismiddeltjes kunnen vinden waar padden (of kikkers) voor op de loop gaan. Het zal dus neerkomen op een soort omgekeerd huisvestingsplan. Padden zijn vooral in de schemering en 's nachts actief. U zult er weinig last van hebben wanneer ze dan door de tuin wandelen. Ze zijn daar vaak erg nuttig, omdat ze zich voeden met insecten, spinnen, slakken en andere kleine dieren, die bij overbevolking soms weer schade aan kunnen richten bij de planten. Overdag houdt de pad zich schuil op rustige, donkere en liefst vochtige plaatsen: onder grotere stenen, boomstronken, de houtopslag, in bladophopingen etc. Ook een flink begroeide vijveroever is populair. Ze hebben overdag echter een hekel aan open ruimtes en verharde tuingedeeltes. Het (tijdelijk) opruimen of verplaatsen van stenen, hout en andere zaken waar ze zich onder kunnen verschuilen zou er toe kunnen leiden dat ze een andere verblijfplaats gaan zoeken. Door de plekken waar u veel verblijft of tuiniert wat meer open te houden kunt u bovendien het aantal keren dat u door een plotseling ophippende pad opgeschrikt wordt, wellicht verminderen.
U hebt bij de onlinewinkel rubrieken van planten (bijvoorbeeld coniferen, vaste planten etc.) Ik zoek planten die veel door vlinders bezocht worden. Is een rubriek "vlinderplanten"een idee? De site ziet er trouwens goed uit.
Geen echte rubriek, maar wel een overzicht is inmiddels gereed.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Vlinders
Wie graag vlinders in de tuin ziet, kan ze lokken door bepaalde planten aan te planten. Die planten zijn voor vlinders aantrekkelijk, omdat ze voedsel bieden in de vorm van stuifmeel of nectar. Ook rottend fruit is in het najaar bij enkele vlindersoorten zeer geliefd.
Andere plantensoorten worden aantrekkelijk gevonden omdat ze als waardplanten fungeren voor de rupsen van de vlinder. De rupsen hebben vaak een zeer specifieke voorkeur voor bepaalde plantensoorten. Als er waardplanten in of bij de tuin in de buurt staan, zullen er door de desbetreffende vlinders minder eieren gelegd worden op de sierstruiken in de tuin zelf. En verschijnen er het volgende jaar toch weer veel jonge vlinders in de tuin. Helaas zijn enkele van de waardplanten minder geliefd in de tuin, zoals de vervelend woekerende grote brandnetel, de lastig te verwijderen akkerdistel en het voor varkens, koeien, paarden en schapen gevaarlijk Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea). Ook veel akkergewassen behoren tot het favoriete menu van de rupsen, net als enkele ‘groenbemesters’ (eenjarige planten die na een jaar doorgespit worden om de grond te verbeteren). Wellicht is het een idee om daar eens een resthoekje mee in te planten of te zaaien. Slechts enkele sierplanten dienen als waardplant en kunnen rekenen op zich herhalend (soms jaarlijks) bezoek van rupsen. Ook al worden deze planten dan regelmatig bijna helemaal kaal gegeten, ze herstellen zich doorgaans volledig nadat de rupsen zich verpopt hebben.
Waardplanten van enkele wat algemener voorkomende dagvlindersoorten:
(On)kruiden en grassen
Arctium minus (kleine klis) distelvlinder
grassen bruin zandoogje, dikkopje, heivlinder en koevinkje
Dactylus glomerata (kropaar) argusvlinder, bont zandoogje, zwartsprietdikkopje
Poa (beemdgras) argusvlinder, hooibeestje
Deschampsia cespitosa (ruwe smele) argusvlinder
Elytrigia repens (kweek) argusvlinder, bont zandoogje
Cynosurus cristatus (kamgras), Festuca (zwenkgras), Anthoxanthum (reukgras) hooibeestje
Molinia (pijpenstrootje), Holcus mollis (gladde witbol), breedbladige grassoorten zwartsprietdikkopje
Cirsium arvense (akkerdistel) distelvlinder
Diplotaxis tenuifolia (zandkool) klein koolwitje
Chamerion, Epilobium (wilgenroosje) groot avondroodje
Hippocrepis comosa (paardenhoefklaver) gele luzernevlinder
Rumex acetosella (schapenzuring) kleine vuurvlinder
kruisbloemigen koolwitje
Medicago lupulina (hopklaver) Icarusblauwtje
schermbloemigen koninginnepage
Urtica dioica (grote brandnetel) atalanta, dagpauwoog, distelvlinder, landkaartje, kleine vos en gehakkelde aurelia
Bomen en heesters
Buddleja davidii (vlinderstruik) boomblauwtje
Calluna (struikheide) boomblauwtje, groentje
Cytisus (brem) groentje
Hedera helix ‘Arborescens’ (struikklimop) boomblauwtje
Humulus (hop) gehakkelde aurelia
Ilex (hulst) boomblauwtje
Prunus spinosa (sleedoorn) sleedoornpage
Quercus robur (zomereik) eikenpage
Rhamnus cathartica (wegedoorn) citroenvlinder, boomblauwtje
Rhamnus frangula (vuilboom, sporkehout) citroenvlinder, boomblauwtje
Salix (wilg) gehakkelde aurelia
Ulmus (iep) gehakkelde aurelia
Vaccinium myrtillus (blauwe bosbes) groentje
Akker- en tuinbouwgewassen
Armoracia rusticana (mierikswortel) groot koolwitje, klein geaderd koolwitje
Brassica (koolsoorten) groot en klein koolwitje, klein geaderd koolwitje
Brassica napus (koolzaad) klein koolwitje
Daucus carota (peen) koninginnepage
Fragaria (aardbei) aardbeivlinder
Phaseolus coccineus (pronkboon) distelvlinder
Vaste planten en tweejarigen
Alliaria petiolata (look-zonder-look) groot koolwitje, klein geaderd witje, oranjetipje
Cardamine pratensis (pinksterbloem) klein geaderd witje, klein koolwitje, oranjetipje
Eupatorium (leverkruid, koninginnekruid) atalanta
Fragaria (wateraardbei) aardbeivlinder
Hesperis (damastbloem) groot en klein koolwitje
Lunaria annua (Judaspenning) klein koolwitje, oranjetipje
Lythrum (kattenstaart) boomblauwtje
Potentilla (ganzerik, tormentil) aardbeivlinder
Viola (viooltje) parelmoervlinder
Eenjarigen
Medicago sativa (luzerne) gele en oranje luzernevlinder
Securigera varia (kroonkruid) gele luzernevlinder
Tropaeolum majus (Oostindische kers) groot koolwitje
Vicia (wikke) gele en oranje luzernevlinder
Veel (on)kruiden vormen ook een belangrijke voedselbron voor vlinders. Erg populair zijn verschillende distelsoorten, zoals kale jonker, akkerdistel en kruisdistels. Maar ook melkdistels, kaardenbol, zevenblad en grote berenklauw worden druk bezocht. Veel kruis-, scherm- en vlinderbloemige planten zijn aantrekkelijk voor vlinders. Ook veel bekende sierplanten uit deze plantengroepen kunnen rekenen op regelmatig bezoek van vlinders. Door de vlinderplanten verspreid te planten, kan ervoor gezorgd worden dat de vlinders overal in de tuin rondfladderen. Kleine planten kunnen groepsgewijs bij elkaar gezet worden, voor een groter effect. De enkelbloemige variëteiten bevatten stuifmeel en nectar. De gevuldbloemige variëteiten zijn veelal steriel, en zullen geen vlinders of andere insecten lokken. Sommige vlinders, zoals de atalanta, komen ook af op rottend fruit.
Op de website van de Vlinderstichting is veel algemene informatie over vlinders te vinden. De Vlindergids, ontwikkeld in samenwerking met de Vlinderstichting, is net als een zaadmengsel van vlinderplanten en een vlinderkast, online verkrijgbaar bij www.vivara.nl. Zaadmengsels van vlinderplanten (sommige zelfs afgestemd op bepaalde vlindergroepen) worden ook online te koop aangeboden bij www.debolderik.net en www.vreeken.nl. Via de laatstgenoemde site zijn ook zaden van veel planten ongemengd te koop, evenals van de verschillende groenbemesters.
Meer informatie over alle nog in Nederland voorkomende dagvlinders is te vinden in de Rode lijst van Nederlandse dagvlinders, waarbij ook de waardplanten vermeld staan van al deze vlindersoorten.
Tuinplanten die regelmatig door dagvlinders bezocht zullen worden:
Bomen en heestersAesculus hippocastanum (paardenkastanje)Amelanchier (krentenboompje)Buddleja alternifolia Buddleja davidii (vlinderstruik)Calluna vulgaris (struikheide)Caryopteris (blauwe spirea, blauwbaard) Cephalanthus occidentalisClematis (bosrank, bosdruif)Clerodendrum trichotemum var. fargesiiColutea arborescens (blazenstruik)Cornus mas (kornoelje)Crataegus monogyna (meidoorn)Cytisus (brem)Daphne mezereum (peperboompje)Deutzia (bruidsbloem)Erica (dopheide)HebeHedera colchica ‘Arborescens’ (struikklimop)Hedera helix ‘Arborescens’ (struikklimop)Kolkwitzia amabilisLantana camara (wisselbloem)Lavandula (lavendel)Ligustrum (liguster)Lonicera (kamperfoelie - klimmers)Lonicera (kamperfoelie – bladverliezende heesters)Philadelphus (boerenjasmijn)Physocarpus opulifolius (blaasspirea)Prunus spinosa (sleedoorn)Pyracantha (vuurdoorn)Rhamnus cathartica (wegedoorn)Rhamnus frangula (vuilboom, sporkehout)Ribes sanguineum (ribes)Rosa canina (hondsroos)Rosa rubiginosa (eglantier)Rosa rugosa (Japanse bottelroos)Rubus (braam)Sambucus nigra (vlier)Salix (wilg)Sorbus aucuparia (lijsterbes)Spiraea japonica (spirea)Syringa vulgaris (sering)Tilia (linde)Viburnum (sneeuwbal)Akker- en tuinbouwgewassenArmoracia rusticana (mierikswortel)Brassica (koolsoorten) Brassica napus (koolzaad) Daucus carota (peen)Phaseolus coccineus (pronkboon)Raphanus sativus (bladramanas, radijs)Sinapis alba (gele mosterd)KruidenMelissa officinalis (citroenmelisse)Origanum vulgare (marjolein)Sanguisorba officinalis (grote pimpernel)Satureja hortensis (bonenkruid)Satureja montana (winterbonenkruid)Stachys officinalis (betonie) Thymus (tijm)Valeriana (valeriaan)Eenjarige sierplantenAnethum graveolens (dille)Calendula officinalis (tuingoudsbloem)Cosmos (cosmea)Eenjarige groenbemestersOnobrychis viciifolia (esparcette)Raphanus sativus (bladrammenas, radijs)Sinapis alba (gele mosterd)Trifolium pratense (rode klaver)Trifolium repens (witte klaver)Vicia sativa (voederwikke)Bollen en knollenAllium (sierui)Dahlia (dahlia) Vaste planten en 2-jarigenAchillea (duizendblad, wilde Bertram)Agastache (dropplant)Ajuga reptans (kruipend zenegroen)Alcea rosea (stokroos)Althea (heemst)Anchusa (ossentong)Angelica (engelwortel)Anthemis (gele kamille)Armeria maritima (Engels gras)Asclepias (zijdeplant)Aster Astrantia major (Zeeuws knoopje)Aubretia (blauwkussen)Baptisia (valse indigo)Bergenia cordifolia (schoenlappersplant)Buphthalmum (koeienoog)Calamintha (bergsteentijm)Campanula (klokje)Centaurea macrocephala (korenbloem)Centranthus ruber (rode valeriaan, spoorbloem)Cephalaria gigantea (gele Scabiosa)Ceratostigma plumbaginoides (loodkruid)Chrysogonum virginianum Cichorium intybus (cichorei)Coreopsis (meisjesogen)Cimicifuga (zilverkaars)Crambe (zeekool)Delphinium (ridderspoor)Dianthus (anjer)Dianthus barbatus (duizendschoon)Digitalis (vingerhoedskruid)Dipsacus (kaardenbol)Doronicum (voorjaarszonnebloem)Echinacae purpurea (zonnehoed)Echinops (kogeldistel)Erigeron (fijnstraal)Eryngium (kruisdistel)Erysimum (muurbloem, steenraket)Eupatorium (leverkruid, koninginnekruid)Euphorbia (wolfsmelk)Filipendula ulmaria (moerasspirea)Fuchsia magellanica Gaura (prachtkaars)Geranium (ooievaarsbek)Geum (nagelkruid)Glechoma (hondsdraf)Helenium (zonnekruid)Helianthus (zonnebloem)Heliopsis (zonneoog)Heracleum (bereklauw)Hesperis matronalis (damastbloem)Hieracium (havikskruid)Inula (alant)Knautia macedonica (beemdkroon)Lamium maculatum (gevlekte dovenetel)Lavandula (lavendel)Lavatera (struikmalva)Leucanthemum (margriet)Liatris Limonium (lamsoor, zeelavendel)Lunaria annua (Judaspenning)Lysimachia (wederik)Lythrum (kattenstaart)Macleaya (pluimpapaver)Malva alcea ‘Fastigiata’ (kaasjeskruid)Malva moschata (muskuskaasjeskruid)Mentha aquatica (watermunt)Monarda (bergamotplant, hanenkam) Nepeta (kattenkruid)Oenothera fruticosa (Teunisbloem)Papaver oriëntale (Oosterse klaproos)Petasitis (groot hoefblad)Phlox (vlambloem)Polemonium (Jacobsladder)Prunella (bijenkorfje, brunel)Rudbeckia (zonnehoed)Salvia (salie)Saponaria officinalis (zeepkruid)Scabiosa (duifkruid)Sedum spectabile (hemelsleutel)Sedum (vetkruid)Sempervivum (huislook)Solidago (guldenroede)Succisa pratensis (blauwe knoop)Tanacetum vulgare (boerenwormkruid)Telekia (koeienoog)Tussilago farfara (klein hoefblad)Verbena (ijzerhard)
Ik heb 2 spiegels in de tuin om hem groter te laten lijken en omdat het mooi is. Maar nu vliegen er 2 merels continu omhoog en omlaag, en dat de hele dag door tot bloedens toe. Wat kan ik hier aan doen?
De vogel (het komt niet alleen bij merels voor) ziet zijn spiegelbeeld aan voor een indringer in zijn territorium. Hoe harder hij tegen de indringer vecht, hoe meer die tekeer gaat. Het probleem verdwijnt pas wanneer de spiegel (of spiegelruit) niet meer spiegelt, of wanneer de vogel er niet meer bij in de buurt durft te komen.
In het eerste geval kan de spiegel of ruit afgeplakt worden met zelfklevende folie. Als het probleem zich alleen in het broedseizoen voordoet zou er tijdelijk een doek of iets dergelijks voorgehangen kunnen worden.
Om de vogels te verdrijven kunnen er ook losse stroken aluminiumfolie voor gehangen worden. Deze bewegen in de wind en schitteren dan sterk, waar veel vogels door afgeschrikt worden.
Ik wil graag nestkastjes in de tuin. Ik heb een tuin op het zuiden. Wat is de beste plaats voor de nestkastjes, want ik wil ze graag ook nog zien? En hoe hoog moeten ze hangen?
Het begint eigenlijk met de vraag: wat voor nestkastje wilt u, voor welke vogelsoort? Heel veel informatie over de verschillende soorten nestkasten en andere broedgelegenheid, het ophangen of plaatsen, het schoonmaken en zelfs tekeningen voor het zelf bouwen ervan kunt u vinden op de website van de Vogelbescherming Nederland www.vogelbescherming.nl/content.aspx?cid=2544. Heel veel modellen nestkastjes voor vogels zijn kant-en-klaar online te koop bij www.vivara.nl. Meer tips voor een vogelvriendelijke tuin kunt u vinden via www.vogelbescherming.nl/content.aspx?cid=2640.
Waarom zijn regenwormen zo goed voor de grond?
Regenwormen verbeteren de structuur van de grond. Dat is, kort gezegd, de meest verkondigde opvatting. Niet iedereen zal het daarmee eens zijn. Agrariërs die op klei boeren, kennen het verschijnsel dat die zware grond door het werk van regenwormen en onder bepaalde omstandigheden zo hard als beton kan worden. Maar in de meeste gevallen zijn regenwormen een zegen voor uw grond en planten. Ze zorgen voor de juiste groeicondities. Ze voeden zich met afgestorven materiaal, zoals plantenresten: dode bladeren en stengels. Die breken ze af. Ze verteren het materiaal dat weer als ‘poep’ (mest) wordt uitgescheiden en overal in de grond wordt achtergelaten. Dat verbetert de structuur en de voedselrijkheid van de grond inderdaad. Maar ze doen nog iets anders. Ze graven voortdurend tunnels waardoor lucht en water diep in de grond kunnen doordringen, wat heel goed is voor gezond groeiende plantenwortels. Ook vermengen ze altijd wel wat steriele ondergrond met de vruchtbare bovengrond, waardoor ook minerale ‘bemesting’ van de grond plaats heeft en de teellaag dus langzaam dikker wordt. Het is bekend dat wormen dieper liggende lagen organisch materiaal onder een steriele grondlaag kunnen waarnemen (ze ruiken dat als het ware) en dan kunnen ze metersdiep door de ondergrond heen graven om bij zo’n ‘voedsellaag’ te komen.
Wat is een levend fossiel?
Deze term is inderdaad wat merkwaardig omdat wat leeft geen fossiel kan zijn en een fossiel niet kan leven. Toch klopt dit begrip wel. Het heeft alles te maken met onze beperkte kennis. Heel veel plant- en diersoorten kent de wetenschap alleen uit versteende resten uit oude aardlagen. Dat zijn dan fossielen. Vaak zijn die naar beste weten van de wetenschap al heel lang uitgestorven. Ze komen niet meer levend op aarde voor. Maar er zijn uitzonderingen, waar altijd weer enige ophef over ontstaat als ze door westerse onderzoekers worden aangetroffen. Dat ‘westerse onderzoekers’ is belangrijk omdat de planten en dieren waar het om gaat bij de plaatselijke bevolking in het gebied van voorkomen, vaak wel bekend zijn. Het is net zoiets als de vermelding in sommige geschiedenisboeken dat ‘Australië in 1606 door Willem Jansz, kapitein van het schip Duyfken, werd ontdekt’ (niet pas in 1642 door Abel Tasman), terwijl daar al 40.000 jaar Aboriginals woonden. Iets dergelijks was ook het geval met de beroemde ‘coelacant’, een kwastvinnige vis (Latimeria chalumnae) waarvan in 1938 een levend exemplaar werd opgevist, terwijl ‘men’ dacht dat deze soort al zo’n zestig miljoen jaar was uitgestorven. De plaatselijke vissers (van de Comoren-eilanden) wisten we beter. Die visten ze regelmatig op! In de plantenwereld is de ginkgo een bekend voorbeeld voor zo’n levend fossiel. Deze soort (Ginkgo biloba) kwam in de Juratijd in grote delen van de wereld voor. In China en Japan bleken in de vorige eeuw nog altijd levende exemplaren te bestaan. Zo zijn er tal van voorbeelden.
Wat zijn de wormpjes in de frambozen voor dieren?
De wormpjes die u soms in de vruchten van de framboos kunt aantreffen, zijn de larven van enkele keversoorten die in hun volwassen keverstadium van het stuifmeel van de frambozenbloemen eten. In die bloemen leggen ze ook hun eitjes die tot de larven uitgroeien en zich met het vruchtvlees voeden. U kunt de wormpjes makkelijk verwijderen door de vruchten even in water te leggen. Zodra de wormpjes de nattigheid voelen, kruipen ze uit de vruchten die daarna nog prima bruikbaar zijn.
Wij hebben twee konijnen, die los lopen in de tuin. Dat is erg leuk, behalve dat ze van alle planten/struiken vreten, waar ze bij kunnen. Zijn er planten/struiken, waar ze zeker van af zullen blijven?
Er zijn planten die konijnen en hazen minder lekker vinden, maar ook bij deze dieren verschillen de smaken. Daarnaast zijn er planten die ze over het algemeen erg lekker vinden, en planten die giftig kunnen zijn. Een overzicht van planten die ze niet lekker zouden moeten vinden treft u hieronder aan. Uitgebreide overzichten van planten die ze wel kunnen waarderen en voor planten die gevaarlijk kunnen zijn voor verschillende soorten huisdieren kunt u vinden op de website van de Dierenbescherming in Utrecht, www.dierenbescherming-utrecht.nl.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Konijnen
Met name half open, wat landelijk gelegen tuinen zijn aantrekkelijk voor een konijn (Oryctolagus cuniculus). Doordat ze in groepen leven en meerdere nesten per jaar krijgen, kan een groep konijnen zich flink uitbreiden. Ze eten vooral gras, takken, wortels en schors.
Konijnen kunnen geweerd worden door de tuin rondom af te rasteren. Het raster dient 80 tot 100 cm hoog te zijn. Als het naar buiten hellend aangebracht wordt, en ook nog 20 tot 30 cm diep in de grond wordt geplaatst, zullen veel konijnen liever omlopen. Het ’s nachts zacht aan laten staan van een radio zou helpen om konijnen uit de (moes)tuin te houden, omdat ze dan denken dat er mensen in de buurt zijn. Strooikorrels en geurpoeders verspreiden een voor konijnen en hazen onaangename geur. Van het merk Ecosect zijn hier online en bij de dierenspeciaalzaak verschillende producten voor verkrijgbaar (www.ecosect.nl). Tenslotte zijn er ongediertebestrijders die konijnen vangen met behulp van fretten, die de konijnen opjagen, waarna ze in vangnetten gestrikt kunnen worden. Ook kan de tuin minder aantrekkelijk gemaakt worden voor konijnen of hazen door er planten te zetten die ze minder graag lusten. Uiteraard komen ook bij konijnen en hazen smaakverschillen voor. En aanhoudende strenge kou, wanneer het voedselaanbod schaarser is, kan ook van invloed zijn op het eetgedrag. Dan eten ze liever snoeihout dan verse takken, zodat daarmee wellicht voor wat afleiding gezorgd kan worden.
Naast konijnen die buiten de tuin gehouden worden, zijn er uiteraard ook liefhebbers die tamme konijnen in de tuin willen houden. Zij zullen meer geïnteresseerd zijn in planten die konijnen lekker vinden, of die juist gevaarlijk kunnen zijn voor knaagdieren. Uitgebreide overzichten hiervan zijn te vinden op de website van de Dierenbescherming in Utrecht, www.dierenbescherming-utrecht.nl. Ook staan daar overzichten van planten die voor andere huisdieren (hond, kat etc.) giftig kunnen zijn.
Planten die weinig of zelden aangetast zullen worden door konijnen:
Bomen en heestersAcer (esdoorn) Aesculus hippocastanum (paardenkastanje) Ailanthus (hemelboom) Alnus (els) Amelanchier (krentenboompje)Aralia (duivelswandelstok) Arctostaphylos (beredruif)Azalea Betula (berk) Buddleia davidii (vlinderstruik) Buxus (randpalm)Callicarpa Campsis radicans (trompetbloem) Carpinus betulus (haagbeuk) Castanea sativa (tamme kastanje) Clematis (bosrank)Cornus (kornoelje) Corylopsis (schijnhazelaar) Cotoneaster (dwergmispel) Crataegus (meidoorn)Daphne (peperboompje) Erica tetralix (gewone dopheide) Euonymus europeus (kardinaalsmuts)Fagus sylvatica (beuk) Forsythia (Chinees klokje) Gaultheria (bergthee) Hedera (klimop) Hypericum (hertshooi)Ilex (hulst) Juglans (walnoot, okkernoot) Kalmia latifolia (lepelboom) Liriodendron tulipifera (tulpenboom) Lycium barbarum (boksdoorn) Magnolia x soulangeana (beverboom) Magnolia stellata (stermagnolia) Mahonia (mahoniestruik) Perovskia Philadelphus (boerenjasmijn) Platanus (plataan)Picea (spar) Pinus (den) Populus balsamifera (balsempopulier) Populus trichocarpa (Westamerikaanse balsempopulier)Potentilla fruticosa (ganzerik) Prunus padus (vogelkers) Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) Rhumnus (vuilboom, wegedoorn) Rhododendron Ribes (aalbes, kruisbes, zwarte bes) Robinia (acacia)Rhus (azijnboom) Salix purpurea (bittere wilg) Sambucus (vlier)Sorbaria sorbifolia Spiraea (spierstruik) Stephanandra (kransspirea)Symphoricarpos (sneeuwbes) Taxus (venijnboom) Teucrium (gamander) Vaccinium (bosbes) Viburnum (sneeuwbal) Vitis (druif) Groenten Allium (ui, prei) Asparagus officinalis (asperge) Cucurbita (pompoen) Lycopersicon lycopersicum (tomaat) Petroselinum crispum (wortelpeterselie)Rheum rhabarbarum (rabarber) Solanum tuberosum (aardappel) KruidenArtemisia dracunculus (dragon) Mentha (munt) Ocimum basilicum (basilicum) Origanum vulgare (marjolein) Satureja (steentijm, bonenkruid)Thalictrum (ruit) Eenjarige plantenAgeratum houstonianum (Mexicaantje) Begonia x semperflorens (zaai-begonia) Calendula officinalis (goudsbloem) Cleome hasslerana (kattensnor) Mirabilis jalapa (nachtschone) Pelargonium (tuingeranium) Vaste planten en 2-jarigenAcaena (stekelnootje)AcanthusAchillea tomentosa Aconitum (monnikskap)Ajuga repens (zenegroen) Agapanthus (Afrikaanse lelie) Alcea (stokroos)Alchemilla (vrouwenmantel) Alyssum (schildzaad)Anaphalis (Siberische edelweis) Aquilegia (akelei) Artemisia (alsem, bijvoet)Aruncus (geitenbaard) Asarum europaeum (mansoor) Astillbe (pluimspirea)Bergenia cordifolia (schoenlappersplant) Brunnera (Kaukasische vergeet-mij-niet) Centranthus (rode valeriaan, spoorbloem)Cimicifuga (zilverkaars) Coreopsis (meisjesogen) Delphinium (ridderspoor)Dicentra (gebroken hartje) Dictamnus (vuurwerkplant)Digitalis (vingerhoedskruid)Doronicum (voorjaarszonnebloem) Echinops (kogeldistel) Epilobium Epimedium (elfenbloem) Eupatorium (koninginnekruid) Euphorbia (wolfsmelk)Filipendula (pluimspiraea) Gaillardia (kokardebloem) Geranium (ooievaarsbek)Geum (nagelkruid) Helleborus (stinkend nieskruid)Hemerocallis (daglelie) Hosta (funkia, hartlelie)Iberis (scheefkelk) Iris germanica en siberica (lis) Kniphofia (vuurpijl)Lamium (dovenetel)Lavandula (lavendel) Ligularia (kruiskruid)Liriope Lobelia Lupinus (lupine)Lysimachia (wederik e.a.) Macleya (pluimpapaver)Malva (kaasjeskruid) Meconopsis (schijnpapaver)Monarda (bergamotplant) Myosotis (vergeet-mij-niet) Nepeta (kattenkruid)Pachysandra Paeonia (pioenroos) Persicaria (duizendknoop)Phlox subulata (kruipphlox) Potentilla (ganzerik)Primula (sleutelbloem) Prunella (brunel)Pulsatilla (wildemanskruid) Pulmonaria (longkruid)Ranunculus (boterbloem, ranonkel)Rodgersia Salvia (Salie)Santolina (heiligenbloem)Saponaria (zeepkruid)Saxifraga (steenbreek) Sedum (vetkruid, hemelsleutel) Stachys (ezelsoor) Statice Stokesia Tiarella (schuimbloem, Perzische muts)Tradescantia (eendagsbloem)Trollius (kogelbloem) Verbascum (toorts)Veronica (ereprijs) Vinca (maagdenpalm)Viola odorata (maarts viooltje)Yucca (palmlelie) Waldsteinia SiergrassenVarensBollen en knollenAllium (sierui) Anemone nemerosa (bosanemoon)Convallaria (lelietje-der-dalen)Corydalis (gele helmbloem e.a.)Crocosmia (montbretia)Hyacinthus (hyacint) Narcissus (narcis)
ik heb vorig jaar een abrikoos geplant, maar hij heeft nu geen vruchten. Moet ik hem snoeien in het najaar? Zo ja, hoe en waar moet ik op letten?
Een abrikoos begint pas te bloeien en vrucht te geven na het vierde jaar, en soms nog later. Hij moet inderdaad gesnoeid worden om er voor te zorgen dat de struik of boom een open kroon ontwikkeld, met niet te veel zijtakken. Meer over de verzorging van de abrikoos kunt u lezen in de onderstaande tekst.
Deze tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Abrikoos (Prunus armeniaca)
Algemeen
De abrikoos (Prunus armeniaca) stamt uit Noordoost-China. Pas rond het begin van onze jaartelling is de abrikoos door de Romeinen via Griekenland over Europa verspreid. De huidige abrikozenteelt concentreert zich in Spanje, Italië en vooral Turkije, dat 85% van de wereldproductie van abrikozen en abrikozenpitten verzorgt. Ook in Oostenrijk en Zwitserland worden wel abrikozen geteeld.
Naast de gewone abrikozen komen ook kruisingen voor tussen abrikoos en Japanse pruim (Prunus salicina), deze worden wel Plumcot (variëteiten 'Flavorella' en 'Plum Parfait'), Aprium (variëteiten 'Flavor Anne', 'Tasty Rich', 'Honey Rich' en 'Flavor Delight') en Pluot (variëteiten 'Flavorosa', 'Flavor Supreme', 'Flavor Queen', 'Dapple Dandy' (ook wel 'Dinosaur Egg'), 'Flavor King', 'Flavor Jewel', 'Sierra Rose', 'Flavorich' en 'Flavor Fall') genoemd.
Veel rassen zijn zelfbestuivend (zelffertiel) maar door het aanplanten van verschillende rassen kan de productie verbeteren. Abrikozen die niet geënt zijn, en dus op eigen wortel groeien, kunnen 10 m hoog worden. Door de abrikoos te enten op een langzaam groeiende onderstam blijft de hoogtegroei van de boom beperkt, en zal hij op jongere leeftijd vrucht dragen. Sterk groeiende onderstammen (voor hoogstambomen) zijn Myrobalan B en Brompton. De meest toegepaste onderstam is St. Julien-A, die ook nog flinke bomen oplevert. Pumi-Selekt is een nieuwe zwakgroeiende en virusvrije onderstam, die ook gebruikt wordt voor perzik en nectarine.
Omdat de abrikoos vaak al in maart bloeit, is de kans groot dat de witroze bloesem door nachtvorst beschadigd raakt. Ook zijn in die tijd van het jaar vaak nog te weinig insecten actief om voor de bestuiving te zorgen. Dat maakt dat abrikozenbomen regelmatig een jaar geen vruchten geven. Handmatige bestuiving met behulp van een kwastje kan de vruchtzetting bevorderen. Door de abrikoos als leivorm op een zeer zonnige en beschutte plek aan te planten, bijvoorbeeld tegen een zuidmuur, kan de kans op succes iets vergroot worden: de bomen staan meer beschut, de bloesem kan indien nodig wat makkelijker tegen (nacht)vorst beschermd worden, en de bloemen zijn goed bereikbaar wanneer handmatige bestuiving toegepast wordt. De vruchten kunnen in de kas of onder glas al in juli rijpen, maar buiten gebeurt dat doorgaans pas in augustus.
Kersen zijn, net als alle andere bomen met steenvruchten, via snoeiwonden zeer vatbaar voor schimmelinfecties. Snoeiwonden moeten daarom afgedekt worden met entwas of wondbalsem. Snoeiresten kunnen eveneens een bron van infectie vormen, en moeten dus afgevoerd worden.
Verzorging
Abrikozen hebben een voorkeur voor een humeuze, maar niet zure grond. De grond moet bovendien goed doorlatend zijn. Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Ze kunnen het beste aangeplant worden in oktober of november. Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en leivormen. De meest toegepaste leivorm voor de abrikoos is de waaier. Abrikozen zijn geënt op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt. Vrijstaande bomen moeten minimaal 7 m uiteen geplant worden. Wordt de leivorm voor een muur of schutting geplant, dan moet hij minstens 20 cm van de wand af gezet worden. De onderlinge plantafstand bedraagt minimaal 5 m. Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Abrikozen dragen pas na hun vierde jaar. De eerste jaren wordt alleen op vorm gesnoeid.
De snoeiwijze voor struiken, halfstam- en hoofdstambomen is in principe gelijk. De struik wordt na het planten tot 60 boven het maaiveld ingekort (de bomen tot 60 cm boven het punt waar de kroon moet beginnen). Als er al sterke zijtakken aanwezig zijn die een grote hoek met de stam maken, kunnen die gebruikt worden om het gestel te gaan vormen. In totaal zijn er 4 à 5 gesteltakken nodig. De aanwezige zijtakken worden tot een lengte van 10 cm ingekort. Aan het eind van het eerste groeiseizoen worden de verlengingen en de nieuwe, goed geplaatste zijtakken tot de helft ingekort op een buitenoog. Verkeerd (omlaag) groeiende zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De daarop volgende 3 jaar wordt dit telkens herhaald, waarbij erop gelet moet worden dat de takken evenwichtig over de struik of boomkroon verdeeld komen te zitten. Na het vierde of vijfde jaar wordt alleen periodiek verjongd, waarbij bijvoorbeeld om de 2 of 3 jaar een of twee gesteltakken teruggesnoeid worden tot op een sterke zijtak, die zich dan weer door middel van de eerdere verlengingsmethode mag gaan verjongen. Natuurlijk moet dood, ziek of kruisend hout wel jaarlijks weggeknipt worden.
Om een leivorm, in dit geval een waaier, te vormen, wordt de hoofdstam van de struik direct na aanplant teruggeknipt tot 40 cm boven de grond, en net boven een bladknop (puntig) of een drielingknop (2 ronde bloemknoppen en een spitse bladknop). Op de muur of schutting worden horizontale draden gespannen met een onderlinge afstand van circa 10 cm. Tijdens het groeiseizoen groeit de bovenste knop vertikaal door als verlenging van de stam, en vormen zich zijscheuten. Van de zijscheuten worden 2 sterke, bijna tegenover elkaar staande takken aangehouden, een naar de linkerkant en een naar de rechterkant. De andere zijtakken worden bij de stam weggeknipt. Als de resterende zijscheuten circa 50 cm lang zijn, wordt de hoofdstam enkele centimeters boven de bovenste van de 2 zijscheuten afgeknipt, en de wond afgedekt met een wondafdekmiddel. De zijscheuten worden onder een hoek van 45 graden aangebonden, eventueel langs een al eerder schuin aangebonden stok. In oktober of november worden beide zijscheuten met de helft ingekort.
Tijdens de tweede zomer ontstaan zijscheuten op de gesteltakken. Hiervan mogen er per tak 4 doorgroeien: 2 schuin omhoog, 1 ter verlenging van de gesteltak en 1 aan de onderkant van de gesteltak. De andere zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De nieuw gekozen zijtakken (in totaal dus 8) worden wat gespreid aangebonden. In februari worden de nieuwe zijtakken met 1/3 ingekort.
In de derde zomer mogen per zijtak 3 mooi gespreid geplaatste nieuwe zijtakjes doorgroeien. Alle andere zijtakjes worden weer weggeknipt. In oktober of november worden de zijtakjes met een kwart ingekort.
Als het gestel gevormd en de waaier opgevuld is, worden alle verkeerd geplaatste of van de muur af groeiende takjes in de zomer ingekort op circa 7 cm. In de wintermaanden worden waar nodig de verlengingen ingekort, of zijtakken ter verjonging weggeknipt.
De abrikoos draagt vruchten op een-, twee- of driejarig hout. Zijn de takken ouder, dan neemt de vruchtdracht af. Vandaar dat bij alle vormen (leivorm, struik, half- of hoogstambomen) de wintersnoei gericht is op gedeeltelijke verjonging van de zijtakken. Na het vijfde jaar worden daarom iedere 2 of 3 jaar 1 of 2 zijtakken teruggesnoeid tot een jonge, sterke scheut onderaan de zijtak, die later voor vervanging kan gaan zorgen. Die nieuwe zijtak wordt dan net als de eerder gevormde zijtakken, weer door middel van verlenging en selectie van zijscheuten gevormd tot een vervanging van de oude tak.
Abrikozen rijpen (in tegenstelling tot bijvoorbeeld peren) aan de boom.
Ziekten en plagen
Voortijdig rotten en/of afvallen van vruchten kan veroorzaakt worden door kalkgebrek. Het volgende voorjaar kan extra bemesting gegeven met een kalkhoudende meststof.
Bleekgroen blad in de zomer wijst op voedseltekort, en is op te lossen door in het daarop volgende voorjaar 125 gr patentmest te geven voor ieder jaar dat de boom oud is.
De abrikoos is (net als de perzik) erg gevoelig voor krulziekte, veroorzaakt door de schimmel Taphrina deformans. Jonge scheuten zien er opgezwollen uit, blad is vreemd gebobbeld of misvormd met geelgroene of rode verkleuringen. De bladranden krullen naar binnen. Aangetast blad valt vaak voortijdig af, terwijl aan de kale, aangetaste topscheuten weer nieuwe bladgroei start. Het afgevallen aangetaste blad moet verwijderd worden om hernieuwde infectie te voorkomen. Bestrijding is mogelijk door half januari te spuiten met Bordeauxse pap (met een herhalingsbehandeling 2 weken later).
Bordeauxse pap is een mengel van 25 liter water met daarin opgelost 250 gr kopersulfaat en waaraan met behulp van een fijne zeef 200 gr gebluste kalk toegevoegd wordt. Gebruik van koperhoudende bestrijdingsmiddelen is niet overal toegestaan. Uw gemeente of een lokaal werkende hovenier of tuincentrum weet hier meer over. Als alternatief kunnen de bomen bespoten worden met een middel tegen schimmelinfecties als Finesse vloeibaar (werkzame stof chloorthalonil) van fabrikant Bayer.
Rassen
Hoewel veel abrikozenrassen zelfbestuivend zijn, zullen de bomen regelmatiger en rijker vrucht dragen wanneer er een bestuiver in buurt aangeplant is.
groei vrucht bijzonderheden
Aurora ++ middelgroot, oranje, smakelijk niet zelfbestuivend (bestuivers o.a. Hargrand en Goldrich), middelvroeg bloeiend, makkelijk vertakkend
Bergeron ++ stevig, sappig en smakelijk zelfbestuiver, laatbloeiend, vatbaar voor Sharka-virus
(Dubbele) Bredase + matig groot, vast vruchtvlees (inmaak) zelfbestuiver, goed vruchtbaar, late bloeier, oud ras
Clara ++ zeer groot, geeloranje tot oranjerood met rode stippen sterke groeier met afhangende takken, goed winterhard, goede vruchtbaarheid, mogelijk weinig gevoelig voor Sharka-virus
Goldrich groot, oranjegeel, stevig, smakelijk gedeeltelijk zelfbestuivend, goede vruchtbaarheid, weinig gevoelig voor Sharka-virus, goede bestuiver
Hargrand ++ groot, onregelmatige vorm, stevig, licht zuur, kleine pit, gedeeltelijk zelfbestuivend, goede vruchtbaarheid, vatbaar voor Sharka-virus
Hilde ++ zeer groot, oranjerood, plat/langwerpig sterke groeier met afhangende takken, goed winterhard, goede vruchtbaarheid, mogelijk weinig gevoelig voor Sharka-virus
Hongaarse, Ungarische Besten,(Klosterneuburger en Landersdorf zijn hier variëteiten van) ++ groot, matig vast vruchtvlees (vers en inmaak) zelfbestuiver, ongelijkmatig rijpend, niet altijd winterhard
Kuresia + middelgroot, oranjegeel, smakelijk zelfbestuiver, mogelijk weinig gevoelig voor Sharka-virus
Moni + zeer groot sterke groeier, goed winterhard, goede vruchtbaarheid, mogelijk weinig gevoelig voor Sharka-virus, weinig vertakkend
Moorpark + middelgroot, geel, smakelijk goede vruchtbaarheid, niet altijd winterhard
Royal, Shipley’s Blenheim groot, zacht, smakelijk middentijds rijpend
Tros Oranje ++ klein, vast vruchtvlees (inmaak) zelfbestuiver, goed vruchtbaar, oud ras, in Nederland het meest aangeplant
Orangered, Bhart, NJA32 groot, helderoranje, stevig, smakelijk gedeeltelijk zelfbestuivend (bestuivers o.a. Hargrand en Goldrich), resistent tegen Sharka-virus
Groeikracht: ++ = (zeer) sterk, + = matig tot sterk, o = zwak
Kweekvorm: H = hoogstam, h = halfstam, S = struik, L = leivorm
Wij hebben een druif al jaren in een kas staan. Hij heeft altijd goed gedragen, tot de laatse twee jaar. Er kwamen eerst kilo´s af en de laatse twee jaar haast niets. Wat gaat er verkeerd?
Als er verder qua standplaats of snoeimethode niets veranderd is en de druif verder geen verschijnselen van een ziekte of plaag vertoont en voldoende zon heeft gehad, moet het aan de vocht- of voedselvoorziening liggen. Het kan zijn dat er wel bloemen zijn geweest en bestuiving heeft plaatsgevonden, maar dat de plant tijdens het begin van de vruchtvorming te droog heeft gestaan. Het kan ook zijn dat de grond wat uitgeput is geraakt, door de goede groei van de plant in de afgelopen jaren. U kunt proberen of een flinke bemesting in het volgende seizoen verschil maakt. In het voorjaar kan de druif bemest worden met bijvoorbeeld gedroogde koemest (iets verzurend, op kleigrond) of bloed- of beendermeel (voor meer kalk in de grond op veengronden). De meststof moet in ieder geval veel calcium en kalium bevatten. Bij een tekort aan voedingsstoffen (of te weinig zonuren) komt de vruchtzetting niet goed op gang. Omdat de wortels van de druif doorgaans ver uitgroeien, heeft het weinig zin om alleen rond de stam te bemesten maar zal de meststof over een grotere plek gespreid moeten worden.
Meer over de algemene verzorging van druiven kunt u lezen in de bijlage op www.mwiarda.nl/appeltern.htm
Een paar maanden geleden heb ik een blauwe en een witte druif geplant. De eerste maand groeiden ze goed maar nu krullen en verwelken de blaadjes, hoort dat bij de herfst of zit er nu al een ziekte in.
Het hoort op dit moment (eind september) gewoon bij de herfst. Zodra de druiventrossen kleuren loopt het blad terug. Wanneer het blad deze verschijnselen al veer eerder vertoonde, was er misschien iets anders aan de hand. Meer hierover kunt u elders in deze rubriek lezen waar de verzorging van de druif al uitgebreid behandeld is. Die tekst kunt u ook downloaden van webpagina www.mwiarda.nl/appeltern.htm.
Druiven ‘krenten’ – moet dat?
Er moet helemaal niets. Druiventelers krenten druiventrossen om mooie trossen dessert- of tafeldruiven met grote bessen te krijgen. Voor wie minder aan een mooi trosuiterlijk hecht, of voor het maken van wijn, is het totaal onbelangrijk. Het krenten schijnt de bewaartijd van een tros wel enigszins ten goede te komen, maar ook dat is marginaal. Het is bovendien een behoorlijk tijdrovend karwei dat als volgt wordt gedaan:
Met een speciaal schaartje met scherpe punten worden in deze maand (juni) de kleinste besjes uit de trossen geknipt (verwijderd). Dat wordt gedaan als de bessen (‘korrels’ zegt de kweker) gemiddeld zo groot als een doperwt zijn. Wat later kan het niet meer omdat dan de waslaag van de bessen beschadigd kan worden en dat herstelt zich niet meer. De mooiste bessen mogen blijven. Die kunnen dan beter (dikker) uitgroeien. Bovendien wordt gezorgd dat de tros een fraaie, slanke vorm krijgt. Er wordt bovenaan bij de ‘schouder’ van de tros begonnen. Bessen binnen in de tros worden sowieso weggeknipt. Alle te kleine besjes gaan eruit.
Ja en nee. Er is maar één soort kwee (Cydonia oblonga), maar de vruchten van de verschillende rassen kunnen verschillende vormen hebben. In de landen rond de Middellandse Zee, zijn soms hele boomgaarden met deze grote struiken of kleine bomen te vinden. Het aantal rassen dat het in Noordwest-Europa goed doet, is veel kleiner. Maar ook daarbij kunt u kiezen uit rassen die een peer- of een appelvorm hebben. De zeer vruchtbare ‘Champion’ bijv. geeft peervormige vruchten (die zijn nu, oktober/november, plukrijp). Het ras ‘Riesen von Lescovac’ geeft enorme appelvormige vruchten. ‘Vranja’ geeft peervormige vruchten. Het is daarom beter om niet van kweeperen, maar gewoon van kweeën te spreken. (Het soms gebruikte woord kwee voor een halfslachtig wezen is een onjuiste verbastering van ‘kween’.) Overigens komt dezelfde vormvariatie (peer- of appelvorm) ook bij de Nasji‘peer’ voor.
Ik las juist in een krant dat je het best in maart de fruitbomen kunt snoeien, i.v.m. de sapstroming en genezing van de gemaakte wonden. Is dat juist?
Veel fruitbomen zijn gevoelig voor schimmelinfecties, die de bomen binnen kunnen dringen via verwondingen. Wanneer ze in het voorjaar gesnoeid worden, genezen de snoeiwonden het snelst. Aan de andere kant is voor veel zwammen de zomer, na de oogst, een periode waarin ze geen sporen vormen. Dat is dus voor de zomersnoei een goede periode, waarbij het infectiegevaar wat geringer is. Overigens is het altijd verstandig snoeigereedschap te ontsmetten, en snoeiwonden af te dekken.
Voor meer informatie over het snoeien van specifieke fruitsoorten kunt u kijken in de bijlagen op www.mwiarda.nl/appeltern.htm.
Kunnen pruimenbomen in kleigrond gedeien? Zo nee, welke fruitbomen, behalve appels wel?
Pruimenbomen kunnen prima op kleigrond groeien, mits deze niet al te nat is. Ook andere fruitsoorten kunnen geplant worden, soms met wat bodem verbeterende maatregelen. Fruitboomkwekers in uw regio weten doorgaans welke soorten geënt op welke onderstammen het goed doen op de grondsoort in uw buurt.
Hierbij een overzicht van de bodemeisen van de belangrijkste fruitbomen:
Pruim: prima op doorlatende, niet al te vochtige kleigrond;
Zoete kers: vochthoudend en diep doorwortelbaar, bijvoorbeeld lichte klei;
Appel: neutrale pH, voedzaam en doorlatend;
Peer: diepe ontwatering, stalmest;
Zure kers: niet te vochtig, met kunst- of goed verteerde stalmest;
Perzik: diep losgewerkte lichte, kalkrijke grond en zonnige plek;
Moerbei: lichte, kalkrijke zavelgrond;
Kweepeer: lichte klei- en zavelgrond, vochtig en in de zon;
Mispel: niet te nat, organische bemesting met compost of goed verteerde stalmest;
Amandel: diep losgewerkte kalk bevattende humeuze zandgrond en zonnige plek.
We hebben een kiwi -plant in de tuin voor het derde jaar en hij is nog niet een keer gesnoeid. Wat moet er gebeuren?
Kiwi (Actinida) is meestal een forse, rommelige groeier. Er zal dus orde op zaken gesteld moeten worden zodra de plant weer gebloeid heeft. Hoe u dat kunt doen staat beschreven in de onderstaande tekst.
Deze tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Kiwi (Actinidia)
Algemeen
De kiwi of Chinese kruisbes (Actinidia) is een leiplant, afkomstig uit China. Rond 1900 kwamen enkele kiwizaden terecht in Nieuw-Zeeland, waar de planten door Nieuw-Zeelandse tuinders verder werden veredeld. De vruchten van de kiwi vormen inmiddels een belangrijk Nieuw-Zeelands en Australisch exportproduct. Ook uit Noord-Amerika (Californië) en (in mindere mate) uit Zuid-Europa komen kiwi’s, waardoor ze hier vrijwel het hele jaar door verkrijgbaar zijn. De planten groeien goed in een gematigd klimaat, maar zijn hier, vooral als jonge plant, net niet helemaal winterhard.
De rassen met grote vruchten behoren tot A. deliciosa (helder groen vruchtvlees en een behaarde vruchtschil, twijgen en blad) en A. chinensis (geel tot lichtgroen, soms iets rood vruchtvlees en een onbehaarde vruchtschil, twijgen en blad). Ook de mini-kiwi (A. arguta) wordt aangeboden. A. chinensis is over het algemeen niet winterhard genoeg. Vandaar dat de om hun vruchten ontwikkelde rassen vrijwel allemaal tot A. deliciosa behoren. Naast de vruchtplanten worden ook verschillende cultivars van de Siberische kiwi, Actinidia kolomikta, verkocht zoals de mannelijke ‘Adam’, en de vrouwelijke ‘Dr. Szymanowski’ en ‘Sientiabrskaja’. Dit zijn sierkiwi’s, die wel kleine vruchten kunnen dragen, maar waarvan vooral de sierwaarde telt.
De meeste Actinidia-rassen zijn tweehuizig en eenslachtig. Een plant heeft daardoor of mannelijke of vrouwelijke bloemen. Alleen de vrouwelijke planten dragen vruchten. Bij een vrouwelijke plant moet altijd een mannelijk exemplaar (of een zelfbestuivende eenhuizige plant) in de buurt staan om tot bestuiving te leiden. Er bestaan ook enkele eenhuizige rassen, met tweeslachtige bloemen. Deze zijn in principe zelfbestuivend, maar geven kleinere vruchten.
Verzorging
Kiwi heeft een voorkeur voor goed gedraineerde kalkrijke grond. De jonge planten zijn vorstgevoelig, maar ook bij oudere planten kunnen de jonge scheuten last hebben van late nachtvorst. Hij staat daarom graag zonnig en beschut, bijvoorbeeld op het zuiden of zuidwesten. Voor vruchtzetting bij planten die niet zelfbestuivend zijn, is een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar nodig. Een mannelijke plant kan de bestuiving van 8 vrouwelijke planten verzorgen. De bloemen worden door insecten bestoven. Als er meerdere exemplaren geplant worden, moet de onderlinge afstand minimaal 5 tot 6 meter bedragen, want het zijn ferme groeiers. Daarnaast moet er een constructie zijn om de planten langs te leiden: draden langs de muur, een trellis of een pergola. Vanwege de vorstgevoeligheid van de jonge planten vindt de aanplant het beste pas plaats na half mei, dus na de laatste nachtvorsten. Oudere planten krijgen als winterbescherming graag een flinke hoeveelheid verteerde stalmest, compost, oude bladresten of een pakking van wollen doeken of stro rond de stambasis. Ook een mulchlaag wordt zeer gewaardeerd. In februari, net voordat de groei start, kan een extra gift van een mengmeststof gegeven worden. In juli-augustus kan dat nogmaals herhaald worden om voortijdige vruchtval te voorkomen.
Na half maart begint de groei vaak al. Dat maakt de jonge scheuten gevoelig voor late nachtvorst. Tijdens de zomer moet de plant herhaaldelijk gesnoeid worden. Zo wordt de groei beperkt en de vruchtzetting bevordert. Ook moeten de scheuten tijdig aangebonden worden: hebben ze zich te ver rond hun steunpunt gewonden, dan zijn ze nauwelijks meer los te krijgen zonder ze te breken of anderszins te beschadigen. Snoeien in de winter, in december of januari, bevordert de groei, en is om die reden niet verstandig. Tussen februari en eind mei, als de plant sterk groeit, mag er even niet gesnoeid worden, de planten kunnen dan doodbloeden.
Het snoeiwerk zelf heeft wel wat weg van druivenbegeleiding. Het eerste jaar worden in de zomer vanaf de getopte verticale scheut 1 of 2 stevige zijscheuten horizontaal geleid op een hoogte van circa 1,80 m (of ter hoogte van de bovenkant van een muur of pergola): 1 scheut voor eenzijdige ontwikkeling, of 2 naar weerszijde voor een tweezijdige ontwikkeling. Alle andere (lager) zijscheuten worden getopt op 1 m lengte. In november worden ook de bovenste ‘oude’ zijscheuten getopt. Het tweede jaar wordt dit een etage lager herhaald met 1 of 2 nieuwe zijscheuten, de oude scheuten van het jaar daarvoor blijven gewoon bovenin zitten. Alle andere (lager) zijscheuten worden getopt op 1 m lengte. De daarop volgende jaren wordt op dezelfde wijze naar beneden toe verder gewerkt aan de ontwikkeling van een stevig vertakt raamwerk. De planten bloeien op het oude hout, waaraan zich dan ook de vruchten ontwikkelen. Meestal ontwikkelen ze zich op de eerste 4 ogen aan de onderzijde van de zijscheuten. Het kan 3 tot 5 jaar duren voordat de eerste vruchten verschijnen. Pas als de plant 8 jaar of ouder is draagt hij volop. Kiwi bloeit eind mei of in juni. Al enkele weken later worden de eerste vruchten zichtbaar. Ze zullen alleen in warme zomers goed rijpen. Koude zomers leveren in het beste geval zuurdere vruchten op. Nachtvorst kan de vruchten beschadigen, dus eind oktober of begin november moeten ze van de struiken geplukt worden, rijp of nog niet rijp. In november kunnen de planten ook nog een laatste keer in vorm gesnoeid en aangebonden worden.
Narijpen van de vruchten kan goed binnenshuis door ze in een wollen doek gewikkeld op kamertemperatuur te bewaren. Voor een snellere rijping kunnen ze samen met appels of bananen in een afgesloten plastic zak op de fruitschaal gelegd worden. De kiwi’s zijn rijp als ze zich licht laten indrukken.
Ziekten en plagen
Kiwi-planten zijn weinig ziektegevoelig. Een enkele keer kunnen met name planten die vochtig staan vatbaar blijken voor wortelrot en andere schimmelaantastingen.
Rassen
Voor een betrouwbare, regelmatige opbrengst van grote vruchten wordt het best zowel een mannelijk als een vrouwelijk exemplaar geplant. Bij de zelfbestuivende Actinidia-rassen komt de vruchtzetting soms niet goed op gang omdat de stampers zich niet goed ontwikkelen (‘Jenny’). Ook geven de zelfbestuivende rassen aanmerkelijk kleinere vruchten. De vruchtgrootte is wel wat te beïnvloeden door er een mannelijke bestuiver bij te planten. De vruchten worden dan wat groter, maar blijven kleiner dan die van een geheel vrouwelijke plant.
Hoewel bestuiving van een vrouwelijke plant door een zelfbestuivende buur in theorie wel mogelijk is, laat het resultaat in de praktijk nogal eens te wensen over. De vrouwelijke plant draagt vervolgens kleinere vruchten, of het stuifmeel van de zelfbestuiver is te slecht ontwikkeld om de vruchtzetting op gang te brengen.
herkomst bijzonderheden
Vrouwelijk
A. chinensis ‘Zespri Gold’ of Hort-16A Nieuw-Zeeland nieuw ras, gladde bruine vrucht, geelachtig zoet vruchtvlees, beschermd in Nieuw-Zeeland als mogelijke opvolger van ‘Hayward’, Buiten Nieuw-Zeeland niet als plant op de markt
A. deliciosa ‘Abbott’ Nieuw-Zeeland wat vroeger rijpend dan ‘Hayward’, lang behaarde vrucht van gemiddelde grootte, lichtgroen vruchtvlees
A. deliciosa ‘Allison’ Nieuw-Zeeland wat vroeger rijpend dan ‘Hayward’
A. deliciosa ‘Bruno’ Nieuw-Zeeland wat vroeger rijpend dan ‘Hayward’, borstelig behaarde donkerbruine vrucht van gemiddelde grootte, lichtgroen vruchtvlees
A. deliciosa ‘Hayward’ Nieuw-Zeeland grote, smakelijke vruchten, bruin behaard met gladdere zijkanten, late rijping, laat vruchtbaar
A. deliciosa ‘Green Light’ of Convi 97001 Italië 30 tot 45 dagen vroeger rijpend dan ‘Hayward’
A. deliciosa ‘Monty’ Nieuw-Zeeland wat vroeger rijpend dan ‘Hayward’, donzig behaarde vrucht van gemiddelde grootte, lichtgroen vruchtvlees
A. deliciosa ´Sauvage´ zoet en geparfumeerd, rijk aan vitamine C, rijkdragend met vrij lichte vruchten, 3 weken vroeger rijpend dan ‘Hayward’
A. deliciosa ‘Starella’ Zwitserland wat beter winterhard dan ‘Hayward’
A. deliciosa ‘Top Star’ Italië minder fors groeiend dan ‘Hayward’, onbehaarde vruchten
Mannelijk
A. deliciosa ‘Atlas’ mannelijk, bestuiver van de vroeger bloeiende rassen ‘Abbott’, ‘Allison’ en ‘Bruno’
A. deliciosa ‘Matua’ mannelijk, bestuiver van de vroeger bloeiende rassen ‘Abbott’, ‘Allison’ en ‘Bruno’
A. deliciosa ‘Tomuri’ mannelijk, bestuiver van de later bloeiende rassen ‘Hayward’ en ‘Monty’, wat onregelmatige bloeier
A. deliciosa ‘Toura’
Zelfbestuivend
A. deliciosa 'Boskoop' rijptijd half september - half oktober
A. deliciosa 'Jenny' rijptijd half september - half oktober
A. deliciosa 'Solo' rijptijd half september - half oktober
A. deliciosa 'Oriental Delight' grote vruchten, forse groeier, ook redelijk goede bestuiver
Mini-kiwi
A. arguta ‘Bayern-kiwi’ zelfbestuiver, maar met mannelijke plant in de buurt zijn de vruchten lekkerder
A. arguta 'Issai' zelfbestuiver
A. arguta 'Geneva' lijkt op ‘Weiki’, zeer vruchtbaar
A. arguta ‘Jumbo’ of ‘Ambrosia’ grote, langwerpige, groene, zoete vruchten
A. arguta ' Ken's Red' vruchtbaarder dan ‘Weiki’, kleinere en donkerder vruchten
A. arguta 'Weiki' zelfbestuiver, ook als bestuiver, beter winterhard dan A. deliciosa, gladde vruchtschil en zeer vruchtbaar, vroeg rijp
Ik wil onze noteboom ca. 10 meter verplaatsen. Op 1 meter hoogte is de omtrek ca. 110 cm. Kan de boom nog worden verplaatst en waar moet ik dan rekening mee houden? Mag de boom eerst gesnoeid worden? Is november het goede moment om de boom te verplaatsen? Hoe ver moet er vanaf de stam gegraven worden en hoe diep?
Notenbomen laten zich zeer moeilijk verplanten, omdat ze een breed en diep wortelstelsel maken, en bovendien moeilijk herwortelen. De kans van slagen bij bomen ouder dan een jaar of 5 neemt bij verplanting zeer sterk af. De kroon en het wortelstelsel zijn ongeveer even groot. Dat geeft dus een indicatie van de kluit die u zou moeten transporteren. Snoeien van de kroon gebeurt in de periode tussen juni en eind oktober, wanneer de boom in blad staat. Aanplanten en verplanten gebeurt inderdaad bij voorkeur in november. Na het verplanten van (ook jonge) notenbomen moeten ze voorzien worden van een boompaal, om hergroei van de wortels te bevorderen en scheefwaaien van de boom te voorkomen. Zwaardere bomen kunnen beter door 3 boompalen omringd worden. Bij oudere bomen wordt door boomverzorgers zelfs wel wortelverankering toegepast.
Kort samengevat luidt het advies dan ook: schakel een vakman in voor de verplanting, of plant een jonge boom.
Dat is heel lastig, tenzij u over een grote, hoge, warme kas beschikt. Deze tropische vruchten groeien namelijk aan tot 9 m hoge bomen. Oorspronkelijk kwamen ze alleen in Indo-China voor (Vietnam, Laos, Cambodja), maar al vrij vroeg werden de vruchten ook in het zuiden van China geteeld. Tegenwoordig in veel meer tropische gebieden. De eerste uitbreiding van het areaal werd in Taiwan, Madagascar, Zuid-Afrika en Mauritius (in de Indische oceaan) gerealiseerd. De vruchten worden als zeer fijn van smaak (een beetje muskaatachtig) beschouwd. Gezond zijn ze zeker, namelijk zeer rijk aan vitamine C. Voor eigen opkweek heeft u uiteraard verse vruchten nodig. Die worden soms aangeboden.
Verstikt een klimop een druif als je ze naast elkaar tegen een muur plaatst? Omdat de druif bladverliezend is vind ik het mooi om in de wintermaanden deze muur begroeid te hebben, maar ik weet niet of de klimop de druif verstikt of dat de druif sterk genoeg is hiervoor.
Op zich zijn klimop en druif qua groeikracht wel tegen elkaar opgewassen. Dat het door elkaar heen groeiend geen goede combinatie is komt doordat de druif ziektegevoelig wordt wanneer hij te vol in het blad staat (of op een andere manier te weinig ventilatie krijgt). Dat is, naast het bevorderen van de vruchtontwikkeling, de belangrijkste reden waarom de druif tijdens zijn groeiperiode zoveel snoei vergt. En dat gaat dan alleen over het wegsnoeien van het druivenblad. Als dan ook de door de druif heen groeiende klimop nog in bedwang gehouden met worden, zal het een erg bewerkelijk geheel worden. Wellicht is er iets te bedenken waardoor de druif en de klimop echt gescheiden van elkaar tegen de muur kunnen groeien?
Meer over de verzorging van de druif kunt u lezen in de bijlage op www.mwiarda.nl/appeltern.htm.
Vorige week waren we op bezoek in uw prachtige tuin. Ik zag er een ras rode trosbes met opmerkelijk groter blad en mooie grote trossen rode bessen. Ik ben de naam ervan vergeten. Als ik me het goed herinner was het het tweede perceel rode bessen. Is het mogelijk me de naam te bezorgen evenals de leverancier waar ik me dat ras kan aanschaffen volgende herfst?
We hebben helaas niet kunnen achterhalen welk ras dit geweest is. U kunt proberen of het door u gezochte grootbladige aalbessenras bekend is bij Kwekerij de Lingehof, Cuneraweg 5 A, 4051 CE Ochten, telnr. 0344-642960, www.lingehof.com.
Hoe kan onze notenboom weer beter gaan groeien? In onze achtertuin staat een notenboom van 60-70 jaar oud, denken wij. Afgelopen jaar en dit jaar ziet de boom er niet meer zo goed uit. De bladeren vormen zich alleen aan de uiteinden van de takken, de bladeren zijn klein en het bladerdak is niet vol, terwijl de boom eerst heel veel schaduw gaf. De boom draagt nog wel vruchten, maar ook minder dan anders. De notenboom neemt een prominente plaats aan in onze tuin en dat willen we graag zo houden. Graag willen we deskundig advies hoe deze boom weer gezonder wordt. Is een boomchirurg de aangewezen persoon? Zo ja, waar kan ik deze vinden? Ik hoor het graag van u.
De notenbomen (walnoot en zwarte noot) zijn nogal kritisch ten aanzien van hun standplaats. Maar aangezien de boom het altijd goed gedaan heeft, zal dat hier het probleem niet zijn. Lastig is dat ze ook nogal gevoelig zijn ten aanzien van bemesting. Te veel mesten geeft risico van plagen (luis en bacterieziekte), te weinig voeding in de grond geeft groeiproblemen. Het kan ook zijn dat de voorraad van sporenelementen of magnesium of fosfaat in de loop der jaren (te) erg geslonken is. Een bodemanalyse of grondmonster kan daar wat meer duidelijkheid over bieden. Wat nog wel eens wil helpen is een rijke mulchlaag aanbrengen in een groot gebied rond de stam. Uit de langzaam verterende resten komen veel sporenelementen vrij, die dan geleidelijk en verspreid de wortels bereiken.
Mulchen betekent een deklaag aanbrengen van organisch materiaal. Hiervoor kan van alles gebruikt worden. Grasmaaisel, bladafval, versnipperde takken, compost, stro, plantenresten, zelfs krantenpapier (onkruid onderdrukkend!). Het materiaal verteert langzaam tot humus. Het wordt uiteindelijk een rulle, voedselrijke toplaag, die de ondergrond beschermt tegen uitdroging. Bij het verteringsproces wordt stikstof onttrokken aan de grond. Dit kan gecompenseerd worden door wat bij te mesten met een stikstof houdende meststof. Bij planten die gevoelig zijn voor bepaalde (blad)schimmels, zoals meeldauw bij rozen, druif etc., kan beter niet gemulcht worden met het eigen blad. Dat geldt ook voor de notenbomen, die vanuit het op de grond liggende blad geïnfecteerd kunnen raken met de bladvlekkenziekte.
Uit uw e-mailadres leidt ik af dat u in de omgeving van Tiel woont. U zou voor een deskundig oordeel ter plaatse contact op kunnen nemen met Copijn Utrecht, www.copijn.nl.
Mijn appelboom ballerina gaf het afgelopen jaar geen bloesem en daardoor geen vruchten. Vorig jaar had de boom wel een paar bloemen. Wat kan de reden zijn dat ze geen bloesem geeft? Gezien de weinige bloemen het afgelopen jaar heb ik de boom expres niet gesnoeid (is ook niet echt nodig gezien het model).
Een Malus ballerina is een extreme vorm van een appelboompje. Er groeien vrijwel geen takken aan. Vandaar dat hij wel een 'paalappeltje' genoemd wordt. Maar de bloemen (en daarna dus ook de vruchten) groeien wel aan korte takjes (het vruchtlot) die uit de stam tevoorschijn komen. Heel zelden zullen er ook bloeibare knoppen aan de stam zelf verschijnen. Om vruchten te krijgen is het dus belangrijk dat dat vruchtlot wel aan de stam blijft. Dus als er weer takjes verschijnen: rustig laten groeien. Knip ze pas af als ze langer dan ca. 10 cm lang zijn. Laat die 10 cm eraan zitten. Aan de einden ontstaan dan bloemknoppen.
Wij hebben een perenboom die prachtig in blad staat maar dit jaar geen bloesem heeft gehad. Is deze boom ziek?
Als de perenboom eerder wel gebloeid heeft en vruchten heeft gedragen, kan het zijn dat de knoppen door de nachtvorst beschadigd zijn geraakt. Als de boom eerder ook niet gebloeid heeft, is het de vraag of er wel voldoende kortlot met bloemknoppen in de boom aanwezig is. Meer over de verzorging van peren kunt u lezen in de bijlage op www.mwiarda.nl/appeltern.htm.
Kunt u mij zeggen wat ik kan doen tegen roest in mijn jonge perenboompjes? De boompjes heb ik vorig jaar gezet en al meteen hadden ze last van roest.
Het is jammer dat u niet iets duidelijker beschrijft hoe de 'roest' op de perenbomen er uit ziet. Het kan inderdaad gaan om perenroest, maar dan moet er vlak in de buurt een jeneverbes staan, zoals de breedspreidende Juniperus pfitzeriana. De roodgele vlekken op het blad van de perenboom zijn het werk van de roestzwam Gymnosporangium sabinae, die in de jeneverbessen overwintert. Op de perenbomen is de roest niet te bestrijden, de eenvoudigste oplossing is de jeneverbes te verwijderen.
Als er in de wijde omtrek geen jeneverbes te bekennen is, gaat het niet om perenroest. Dan zou het een aantasting kunnen zijn van de perenbladgalmijt, wat de perenpokziekte veroorzaakt. Het blad vertoont kleine vlekjes, die eerst oranjerood, dan donkerrood en tenslotte zwart verkleuren. Ze worden veroorzaakt door de zuigende activiteiten van de galmijt. Waar de mijten aan de bladeren en stengels gezogen hebben ontstaan verdikkingen, en de bladranden krullen om naar binnen. De mijten worden actief zodra de temperatuur boven de 11 graden Celsius komt. De aangetaste delen moeten weggeknipt en afgevoerd worden. Eventueel kan in het voorjaar chemische bestrijding plaatsvinden door (herhaaldelijk) te spuiten met Microsulfo Spuitzwavel van Bayer of vergelijkbare producten.
Dit najaar hebben wij peren 'Gieser Wildeman' als halfstammen geplant. Moeten deze nog gesnoeid worden?
Ja, peren moeten de eerste jaren na aanplant zeker gesnoeid worden, om een goed takkengestel op te bouwen en kortlot te laten vormen.
Meer over de verzorging van peren kunt u lezen in de onderstaande tekst. Deze tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Peer (Pyrus communis)
Algemeen
Onze perenbomen stammen waarschijnlijk net als de appelbomen uit Centraal-Azië of de Kaukasus. De perenbomen komen vooral voor op het noordelijk halfrond. De in Nederland en België om hun vruchtdracht geteelde perenbomen stammen allemaal af van de gewone perenboom, Pyrus communis. Er wordt onderscheid gemaakt tussen handperen en stoofperen. De meeste perenrassen hebben een bestuiver nodig om tot vruchtzetting te komen, andere zijn zelfbestuivend. Bestuiving vindt plaats door insecten. Zelfbestuivers geven grotere vruchten wanneer er een bestuiver in de buurt staat. Bij vroegbloeiende rassen kan de bloesem soms schade oplopen bij late nachtvorst. Wordt er zware nachtvorst voorspeld terwijl de boom in bloei staat dan wil het vernevelen van water, zodat een kunstmatige mist ontstaat, nog wel eens helpen om schade te voorkomen.
Peren worden meestal geënt op een onderstam. Het soort onderstam dat voor de boom is gebruikt, is voor een belangrijk deel bepalend voor de grootte die de boom of struik zal bereiken.
Verzorging
Peren groeien graag op voedzame, diep doorlatende grond, die iets aan de zure kant of neutraal is. Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Als de bomen zonnig staan zijn ze minder vatbaar voor schimmelinfecties, en krijgen de vruchten een hoger suikergehalte. Peren kunnen aangeplant worden tussen november en eind februari, zolang het niet vriest.
Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en diverse leivormen, die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 15 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt.
Voor vrij uitgroeiende hoogstambomen wordt een plantafstand aangehouden van 8 tot 10 m. Bij halfstambomen is 5 tot 6 m voldoende, terwijl laagstambomen op 2 m afstand van elkaar gezet kunnen worden, of zelfs minder. Bij leivormen is de gewenste vorm bepalend voor de plantafstand (snoer, palmet, piramide enz.). Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Het snoeien van een perenboom gebeurt op vrijwel dezelfde wijze als bij de appelboom, en heeft twee doelen. Ten eerste is het de bedoeling om een evenwichtige kroon (of leivorm) te ontwikkelen, met niet te veel gesteltakken. Ten tweede zal de boom, om er vruchten van te krijgen, vruchtlot of spoortjes moeten gaan vormen. Perenbomen zijn pas laat vruchtbaar, het kan wel 6 tot 8 jaar duren voordat de eerste peren geoogst kunnen worden.
Snoeien gebeurt tussen begin december en eind februari, wanneer de groei stil staat, en wanneer het niet harder vriest dan -5 graden Celsius.
Het eerste jaar worden de gesteltakken gevormd, in totaal circa 4 of 5 stuks. Aan het eind van het tweede jaar kunnen nog 3 tot 4 gesteltakken behouden worden, zodat het totale gestel nu uit 8 takken bestaat. De gesteltakken worden het tweede jaar op een lengte van circa 50 cm net boven een omlaag gericht buitenoog gesnoeid. De overige scheuten worden (indien nodig) weggeknipt, of ingekort tot 4 knoppen. Het doel hiervan is om een onder een hoek van 45 graden een van de boom afstaand takkenstelsel te krijgen, waarbij de gesteltakken zich in etappes verlengen. Door de geleidelijke verlenging ontstaan zijtakjes, waarop zich later het vruchtlot zal gaan vormen. Het derde jaar worden de verlengende delen van de gesteltakken in de winter weer teruggeknipt op 25 cm lengte, waarbij gesnoeid wordt op een buitenoog dat tegenovergesteld staat aan de snoeirichting van de vorige snoeibeurt. Zo ontstaat een zigzag-patroon van verlengingen dat op den duur weer een bijna rechte, maar wat horizontaal afstaande gesteltak oplevert. De zijtakjes die zich op de gesteltakken gevormd hebben worden in de tweede helft van juli ingekort tot 3 bladeren, of een lengte van ongeveer 10 cm.
De daarop volgende jaren herhaalt dit patroon zich. In de winter wordt telkens eerst dood, kruisend en ziek hout weggehaald. Alle vertikaal omhoog groeiende zijtakjes worden helemaal verwijderd: op meer horizontaal groeiende takken ontwikkelt zich meer vruchtlot. Ook zijtakken die naar de spil toegroeien worden weggehaald, net als sprieterig doorgeschoten jong schot met weinig knoppen.
De verlengingen van de gesteltakken worden weer ingekort tot 25 cm op een tegenoverliggend, liefst omlaag gericht oog. Hebben de gesteltakken hun uiteindelijke lengte bereikt dan wordt de nieuwe aanwas telkens helemaal weggehaald. In de zomer worden zijtakken en secundaire zijtakken telkens tot 3 bladeren of 10 cm teruggeknipt. Hierop ontwikkelen zich in de loop der jaren de bloemdragende spoortjes. Wanneer deze te dicht op elkaar staan moeten de spoortjes in de winter gedund worden.
Circa 6 weken na de bloei zal de boom zelf een deel van de overtollige vruchten afstoten. De overblijvende vruchten moeten zo uitgedund worden dat ze op een onderlinge afstand van 15 tot 20 cm uiteen hangen.
Voor het opkweken als spil, piramide of palmet wordt na het planten in het eerste jaar de hoofd- of spiltak op 80 cm hoogte afgeknipt, of op 20 cm boven de bovenste gesteltak. Ieder jaar zorgt de topscheut voor een verlenging, tot een totale hoogte van maximaal 2,5 m bereikt is. Door telkens op een tegenoverliggend ook terug te snoeien ontwikkelt zich uiteindelijk een min of meer doorlopende spil. Heeft de leivorm de gewenste hoogte bereikt dan wordt de kop telkens teruggezet tot op de laatste gesteltak onder de top. De gesteltakken of zijscheuten worden afgesnoeid op een lengte van 1 m. Bij leivormen als het palmet en de piramide worden de gesteltakken horizontaal aangebonden.
Takken die ontstaan op de onderste 70 cm van de spiltak of stam worden geheel weggehaald. De nieuwe groei op de gesteltakken wordt in de winter telkens ter geleidelijke verlenging teruggesnoeid tot 25 cm, de zijtakken op 3 bladeren of 10 cm. Verder verloopt het snoeien hetzelfde als bij een vrijstaande boom.
Bij een snoer wordt de hoofdspil onder een hoek van 45 graden aangebonden. De top van de spil wordt pas weggesnoeid als hij zijn totale lengte bereikt heeft. Er worden geen gesteltakken gevormd. De zijtakken worden in november teruggesnoeid tot 4 knoppen, de secundaire zijtakjes op 3 cm. Dit wordt in de zomer herhaald, waarbij bij de snoei de bladrozetten aan de basis van de zijtakken in ieder geval moeten blijven zitten.
Wanneer een boom moeizaam vruchtlot maakt, kan geprobeerd worden dit door kerven te stimuleren. Half maart wordt dan net voorbij een slapend oog een kerf van 5 mm diep in de tak gemaakt. Het slapende oog zal zich op die manier sneller tot zijscheut en later tot vruchtlot ontwikkelen.
Jonge perenbomen kunnen beter niet bemest worden, omdat dit voortijdig afvallen van vruchten tot gevolg kan hebben. Wanneer de bomen ouder dan 6 jaar zijn kan in april een kunstmestgift gegeven worden, wanneer het blad geelgroen verkleurd is. Meestal is bemesting echter niet nodig.
De peren mogen niet aan de boom rijpen: dan worden ze buikrot. Peren zijn plukrijp als ze van donkergroen wat gelig beginnen te worden, en zodra de steeltjes op het punt waar ze de takken raken beginnen te zwellen. Ze worden geplukt met een opwaartse draaiende beweging. Laten ze niet los, dan zijn ze nog niet plukrijp. Na het plukken worden de peren het beste 1 of 2 weken op een koele, donkere plaats, waarna ze op een warmere, donkere plek verder mogen rijpen.
Verjongen
Een oude, verwaarloosde perenboom kan in principe verjongd worden. Maar als de boom ouder is dan een jaar of dertig heeft dit weinig zin meer: hij zal slecht herstellen, vaak al verzwakt en ziektegevoelig zijn en weinig goede vruchten geven. In dat geval kan hij beter vervangen worden.
Het kan zijn dat een verwaarloosde boom te hard gegroeid is doordat de ent onder de grond terecht is gekomen (bijvoorbeeld bij een ophoging) en nu op eigen wortel groeit. In dat geval zal eerst de schors geringd moeten worden. Ook kan de boom door te veel of te weinig snoeien uit vorm geraakt zijn. In dat geval kan door verjonging geprobeerd worden hem zo te fatsoeneren dat hij over enkele jaren misschien weer vrucht gaat dragen. Een oude boom kan het best in februari gesnoeid worden, vlak voordat de groei op gang komt. Wonden groeien dan het snelst dicht, waardoor het risico op infecties het kleinst is. Wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel. Eerst wordt al het dode, gebroken, zieke en kruisende hout weggesnoeid. Verder worden 4 of 5 goede, wat horizontaal afstaande gesteltakken gespaard. De andere takken worden glad bij de stam afgezaagd, zonder stomp. De grotere snoeiwonden worden afgedekt met entwas of wondbalsem. De aan de gesteltakken resterende zijtakken worden zonodig uitgedund en ingekort, en waar nodig worden de vruchtsporen uitgedund. De spoortjes onderaan de takken worden helemaal weggehaald. Het uitdunnen, inkorten van de nieuwe zijscheuten en het dunnen van de spoortjes wordt daarna ieder jaar herhaald: bij zwak groeiende bomen in de winter, bij te sterk groeiende bomen in de zomer.
Naast de verzorging van de boom zelf zal bij de opknapbeurt van de verwaarloosde bomen ook aandacht aan de naast omgeving geschonken moeten worden: concurrerende bomen en heesters in de directe nabijheid verwijderen, de ondergrond onkruidvrij maken en (bij zwakgroeiende bomen) een extra bemesting met een organische meststof: goed verteerde stalmest of (bij zuurdere gronden) compost. Scheefstaande bomen kunnen voorzien worden van 1 of meerder boompalen en –banden, of gestut worden.
Bij een veel te sterk groeiende oudere appel- of perenboom kan, mits hij in goede conditie is, geprobeerd worden de groei te remmen door de schors te ringen. In de eerste helft van juli wordt rond de hele stam van de boom over een breedte van 5 mm met een scherp mes een ring schors (het zachte weefsel) weggesneden tot op het hout. De wondring wordt direct daarna afgetaped met breed plakband. Hierdoor wordt de wond afgeschermd van de lucht, ongedierte en andere infectiebronnen, en kan gelijk het herstel beginnen. Het idee achter het ringen is dat het transport van voedingsstoffen in de boom tijdelijk onderbroken wordt, waardoor de groei afneemt.
Een andere groeiremmende maatregel is het toepassen van wortelsnoei. In een cirkel met een straal van circa 1,5 m rond de stam wordt een greppel gegraven. Dikke wortels die hierin opduiken worden afgezaagd en zo mogelijk verwijderd. De jonge, vlezige wortels mogen blijven zitten. Na het uitvoeren van de wortelsnoei wordt de greppel zo snel mogelijk weer gedicht.
Ziekten en plagen
De stam kan aangetast worden door stambasisrot, de stam en takken door vruchtboomkankers.
Daarnaast kunnen schimmelinfecties optreden, en kunnen ze door de perenbladgalmijt en de perenbladvlo bezocht worden. Afgevallen blad en snoeihout moeten daarom altijd direct afgevoerd worden en mogen niet op de composthoop, want daar kunnen ze een bron van (her)infectie vormen.
Het blad van de perenboom kan aangetast worden door de perenbladgalmijt, wat de perenpokziekte veroorzaakt. Het blad vertoont kleine vlekjes, die eerst oranjerood, dan donkerrood en ten slotte zwart verkleuren. Ze worden veroorzaakt door de zuigactiviteiten van de galmijt. Waar de mijten aan blad of stengels gezogen hebben ontstaan verdikkingen, en de bladranden krullen om naar binnen. De mijten worden actief zodra de temperatuur boven de 11 graden Celsius komt. Aangetaste delen moeten weggeknipt en afgevoerd worden. In het voorjaar kan eventueel chemische bestrijding plaatsvinden door (herhaaldelijk) te spuiten met Microsulfo Spuitzwavel van Bayer of vergelijkbare producten.
Een perenboom die veel honingdauw of roetdauw laat zien, kan last hebben van de perenbladvlo. Deze legt vanaf het voorjaar verschillende keren eieren op jonge scheuten. De daaruit komende larven veroorzaken sterke terugloop van de groei. Zolang de larven zich nog niet in de honingdauw verscholen hebben, kunnen ze chemisch bestreden worden met middelen op basis van de werkzame stof pyrethrum, zoals Pyrethrum vloeibaar van fabrikant Bayer of Spruzit (Ecostyle). Helpt dat onvoldoende dan is het middel Decis vloeibaar van fabrikant Bayer verkrijgbaar bij tuincentra. De werkzame stof daarin, deltamethrin, is niet schadelijk voor bijen, maar wel gevaarlijk voor vissen en andere waterorganismen. Oppassen in de buurt van vijvers en andere waterpartijen dus.
Loodglansziekte wordt veroorzaakt door de paarse korstzwam (Chondrosteum purpureum), die zich als wondparasiet in de takken vestigt. Die verkleuren daardoor van binnen bruinpaars. De opperhuid van de bladeren aan deze takken komt los te zitten doordat er lucht onder komt, wat de typische grijsgroene bladverkleuring veroorzaakt. De zwam leeft niet in gezond hout, maar parasiteert wel op dood hout. Snoeihout moet dan ook verwijderd worden. Ook onbehandeld loofhout van boompalen, afrasteringen etc. kan een infectiebron gaan worden. Snoeien net na de oogst of in het voorjaar beperkt de kans op wondinfectie, evenals het afdekken van de wonden met een wondafdekmiddel. Bestrijding heeft alleen zin bij licht aangetaste bomen. Aangetast hout moet met ontsmet gereedschap nauwkeurig weggeknipt en afgevoerd worden. Ook kan een flinke stikstofbemesting helpen om de boom weer in goede conditie te brengen, waardoor hij de besmetting overgroeit. Is de boom zwaar aangetast of heeft de zwam de stam bereikt, dan zal hij gerooid moeten worden. De appel ‘Early Victoria’ en de peren ‘Beurré Hardy’, ‘Conference’, ‘Triomphe de Vienne’ en daarnaast steenvruchten, zoals de pruimen ‘Czar’, ‘Early Laxton’, ‘Jefferson’ en de ‘Reine Claude d’Althan’, ‘Reine Victoria’ en ‘Reine Claude Verte’ zijn gevoelig voor loodglansziekte.
De bladeren van de bramen krijgen soms bruine vlekken en die verdrogen dan vanuit het midden.
Het lijkt of er insecten bezig zijn, klopt dat? En hoe snoei je een braam? Je hoort van verschillende kanten diverse methodes.
De braam wordt door insecten bestoven, door bijen maar ook door vlinders. Het ziet ernaar uit dat een daarvan eitjes gelegd heeft op uw braamstruik. En uit die eitjes kruipen rupsen, enfin het verhaal is bekend uit Rupsje Nooitgenoeg. De rupsen in uw braam maken kennelijk niet alleen gaatjes, maar knagen ook de nerven door, zodat het blad verdroogt. Na enkele weken stoppen de rupsen vanzelf met eten, en kan de struik zich herstellen.
De braam wordt na de oogst, of anders laat in de winter of vroeg in het voorjaar gesnoeid. Hij draagt vruchten op de jonge scheuten die het voorgaande jaar ontstaan zijn. De stevige jonge scheuten mogen dus blijven zitten. Alle andere takken, de takken die het afgelopen seizoen gebloeid hebben, ziek, dood of beschadigd hout en iele zijtakjes worden bij de basis afgeknipt. De jonge scheuten worden wat ingekort, uitgebogen en aangebonden, met een onderlinge afstand van ongeveer 25 cm (bij de doornloze bramen 20 cm). Zijn er te weinig jonge scheuten, dan kan ook een enkele oude tak behouden worden. De zijtakjes worden dan tot 2,5 cm van de stengel afgeknipt, zodat nieuwe zijscheuten gevormd worden.
Tijdens de winter kan de voet van de struik afgedekt worden met een dikke laag compost, blad of stro, zodat de jonge scheuten wat beschermd zijn tegen de vorst. In het vroege voorjaar kan een stikstofhoudende meststof gegeven worden.
Wanneer en hoe moet ik mijn braam snoeien? Het is een braam zonder stekels en hij is 3 à 4 meter lang!
De braam wordt na de oogst, of anders laat in de winter of vroeg in het voorjaar gesnoeid. Hij draagt vruchten op de jonge scheuten die het voorgaande jaar ontstaan zijn. De stevige jonge scheuten mogen dus blijven zitten. Alle andere takken, de takken die het afgelopen seizoen gebloeid hebben, ziek, dood of beschadigd hout en iele zijtakjes worden bij de basis afgeknipt. De jonge scheuten worden wat ingekort, uitgebogen en aangebonden, met een onderlinge afstand van ongeveer 25 cm (bij de doornloze bramen zoals de uwe op 20 cm). Zijn er te weinig jonge scheuten, dan kan ook een enkele oude tak behouden worden. De zijtakjes worden dan tot 2,5 cm van de stengel afgeknipt, zodat nieuwe zijscheuten gevormd worden.
Tijdens de winter kan de voet van de struik afgedekt worden met een dikke laag compost, blad of stro, zodat de jonge scheuten wat beschermd zijn tegen de vorst. In het vroege voorjaar kan een stikstofhoudende meststof gegeven worden.
Hoe en wanneer snoei ik mijn kersen-, appel-, pruimenboom?
Bij kersen wordt qua snoei op latere leeftijd verschil gemaakt tussen zure kers en zoete kers. Meer over het snoeien en de verdere verzorging van kersenbomen kunt u lezen in de onderstaande tekst.
Deze tekst kunt u (net als de snoeiaanwijzingen voor de appel- en pruimenbomen) ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Kers (Prunus)
Algemeen
Het is niet exact bekend waar de kers oorspronkelijk vandaan komt. Waarschijnlijk stamt hij uit West-Azië en Zuid-Europa. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zoete kersen (Prunus avium) en zure kersen of morellen (Prunus cerasus). Zoete kersen worden voornamelijk vers gegeten, zure kersen worden industrieel verwerkt tot sap, jam en bigarreaux (geconfijte kersen of Franse vruchtjes). In Nederland werden tot de Tweede Wereldoorlog veel kersen geteeld in de Betuwe. Omdat de teelt zeer intensief was (vogelwering, pluk), zijn veel boomgaarden sindsdien verdwenen. Door de ontwikkeling van nieuwe onderstammen, waardoor de bomen minder groot worden, en nieuwe rassen met grotere vruchten, is de belangstelling voor commerciële teelt in Nederland de laatste jaren weer aan het toenemen. Landen waar veel kersen geteeld worden zijn Griekenland, Italië, Frankrijk en ook België. De zoete kers of Kriek komt ook wel (verwilderd) voor in Zuid-Limburg. Zure kersen worden ook wel Walen genoemd, de kersen die er qua smaak tussenin zitten worden wel Royalen genoemd. Meikers is een kruising tussen de zoete en de zure kers.
Kersenpitten kunnen nadat ze gestratificeerd zijn (een koudeperiode hebben doorgemaakt) gemakkelijk ontkiemen. De planten komen echter niet soortecht uit zaad terug, en zijn daardoor zeer variabel. Een zoete kers op eigen wortel kan 15 m hoog worden, de zure kers blijft aanmerkelijk kleiner. De meeste kersenbomen worden echter geënt. De volgende onderstammen worden wel gebruikt: Limburgse Boskriek (sterke groeier), F12/1 (zeer sterke groeier), Colt (tamelijk sterke groeier), Weiroot 13 (matige groeier) en GiSelA-5 (matige tot tamelijk zwakke groeier). Vooral de laatste onderstam wordt ook in commerciële boomgaarden toegepast.
Kersen zijn, enkele uitzonderingen daar gelaten, over het algemeen niet zelfbestuivend (zelffertiel). Voor een goede kruisbestuiving zullen dus vaak 2 bomen aangeplant moeten worden.
Kersen zijn, net als alle andere bomen met steenvruchten, via snoeiwonden zeer vatbaar voor schimmelinfecties. Snoeiwonden moeten daarom afgedekt worden met entwas of wondbalsem. Snoeiresten kunnen eveneens een bron van infectie vormen, en moeten dus afgevoerd worden.
Verzorging
Zoete kersen zijn erg veeleisend: vochthoudende, diep doorwortelbare, lichte kleigrond hebben ze het liefst. De beste planttijd is november, maar later, tot eind februari kan ook, zolang het maar niet vriest.
De plantafstand voor hoogstambomen bedraagt minimaal 8 meter. Zoete kersen kunnen de eerste 10 jaar na aanplant beter niet bemest worden, om de kans op ziektes en gommen te verkleinen. Na deze leeftijd krijgen ze wel weer graag mest, in april en in juni met een complete kunstmeststof.
Zure kersen stellen minder hoge eisen aan de grond, zolang deze maar niet te zwaar of te nat is. De Meikers zit met zijn wensen tussen beide soorten in. De zure kers wil wel graag bemest worden, zowel met stalmest als met kunstmest (ieder voorjaar in april 125 gr patentmest voor ieder jaar dat de boom oud is en begin juni nog eens wat kalksalpeter). Ze dragen alleen vrucht op het tweejarige hout, dus moet verjongingssnoei toegepast worden om voldoende vruchtdragende takken binnen in de boom of struik te houden.
Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en leivormen (meestal de waaier), die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt.
Voor vrij uitgroeiende hoogstam bomen wordt een plantafstand aangehouden van minimaal 8 m en maximaal 15 m, in verband met de bestuiving. Bij halfstambomen is 7 m voldoende, terwijl laagstambomen en leibomen (waaiers) op 3 à 4 m afstand van elkaar gezet kunnen worden. Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Zoete en zure kersen vragen, als ze volwassen zijn, een verschillende snoeimethode.
Zoete kersen als hoogstam, halfstam of struik worden in eerste instantie net zo gesnoeid als de pruimenboom. In de eerste jaren wordt voornamelijk op vorm gesnoeid, om een goed gestel op te bouwen. Bij de eerste snoei worden 4 of 5 hoofdgesteltakken aangehouden. Dit zijn stevige takken die onder een hoek van circa 30 graden ten opzichte van de hoofdstam opgaand groeien, en die de boomkroon gaan vormen. De doorgaande spil wordt getopt, net boven het punt waar men de kroonontwikkeling wil hebben. De zijtakken die zich laag op de stam ontwikkelen worden op 7 of 8 cm van de stam afgesnoeid.
Het tweede jaar worden in maart de eerder geselecteerde hoofdgesteltakken tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. De eerder al ingekorte zijtakken laag aan de stam kunnen nu bij de stam weggeknipt worden.
Het derde jaar, in maart, worden per ‘oude’ hoofdgesteltak 2 zijscheuten geselecteerd die bij wijze van verlenging door mogen groeien. Deze worden weer tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. Alle andere zijtakken worden tot op een lengte van 8 tot 10 cm afgeknipt. Aan deze laatste, korte takken gaan zich de bloemknoppen ontwikkelen, en later de vruchten.
Na het derde jaar is het gestel van de boom grotendeels gevormd, en worden de gesteltakken minimaal gesnoeid. In de zomer (juli, augustus) wordt dood, beschadigd of kruisend hout uit de kroon gesnoeid, en wordt in de kroon verder alleen gedund. Verlengingen hoeven niet meer getopt te worden, en zijscheuten mogen doorgroeien, omdat zich daaraan de vruchtloten ontwikkelen. Wel worden daarbij verkeerd groeiende zijtakken binnen de kroon telkens weggeknipt, om te voorkomen dat de kroon te vol wordt.
De meest voorkomende leivorm bij de zoete kers is de waaier, die net zo opgebouwd wordt als de perzikwaaier. Na aanplant wordt de struik teruggeknipt tot 40 cm boven de grond, en net boven een bladknop (puntig) of een drielingknop (2 ronde bloemknoppen en een spitse bladknop). Op de muur of schutting worden horizontale draden gespannen met een onderlinge afstand van circa 10 cm. Tijdens het groeiseizoen groeit de bovenste knop vertikaal door als verlenging van de stam, en vormen zich zijscheuten. Van de zijscheuten worden 2 sterke, bijna tegenover elkaar staande takken gekozen, 1 naar de linkerkant en 1 naar de rechterkant. De andere zijtakken worden bij de stam weggeknipt. Als de resterende zijscheuten circa 50 cm lang zijn, wordt de hoofdstam enkele centimeters boven de bovenste van de 2 zijscheuten afgeknipt, en de wond afgedekt met een wondafdekmiddel. De zijscheuten worden onder een hoek van 45 graden aangebonden, eventueel langs een al eerder schuin aangebonden stok. In oktober of november worden beide zijscheuten met de helft ingekort.
Tijdens de tweede zomer ontstaan zijscheuten op de gesteltakken. Hiervan mogen er per tak 4 doorgroeien: 2 schuin omhoog, 1 ter verlenging van de gesteltak en 1 aan de onderkant van de gesteltak. De andere zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De nieuw gekozen zijtakken (in totaal dus 8) worden wat gespreid aangebonden. In februari worden de nieuwe zijtakken met 1/3 ingekort.
In de derde zomer mogen per zijtak 3 mooi gespreid geplaatste nieuwe zijtakjes doorgroeien. Alle andere zijtakjes worden weer weggeknipt. In oktober worden de zijtakjes met een kwart ingekort.
Als het gestel gevormd en de waaier opgevuld is, worden de verkeerd geplaatste of van de muur af groeiende takjes in de zomer helemaal weggeknipt. De gesteltakken horen nu regelmatig gespreid, aan de uiteinden op circa 40 cm uit elkaar, een waaier te vormen. In maart worden waar nodig de verlengingen minimaal ingekort, zodat zich vertakkingen vormen die eventuele gaten in de waaier nog op kunnen gaan vullen. De andere verlengingen worden niet meer gesnoeid. De zijtakken worden teruggeknipt op 15 cm lengte, of 4 tot 6 bladeren, zodat zich hieraan vruchtsporen ontwikkelen. Voor de winter, in september, worden deze zijtakken verder teruggeknipt, op 8 tot 10 cm lengte.
De kroonopbouw bij de zure kers verloopt de eerste jaren ongeveer gelijk aan die bij de zoete kers, waarbij het nog belangrijker is een evenwichtige spreiding van de takken te krijgen. Zodra na 4 tot 6 jaar een evenwichtige kroon is opgebouwd, moet er regelmatig verjongd worden. De zure kers geeft alleen vruchten op de takken die de vorige zomer gevormd zijn. Ter verjonging worden na de oogst telkens enkele oudere zijtakken teruggeknipt tot een jonge zijscheut aan de basis, dicht bij de gesteltak. Deze mag zich door middel van verlengingen weer ontwikkelen tot een nieuwe volwaardige tak met zijscheuten.
Ook de vorming van een waaier begint bij de zure kers op gelijke wijze. Na de vorming van het gestel moet direct begonnen worden met verjongen, door telkens in maart of april lange, oude scheuten terug te knippen op 8 tot 10 cm van de basis. De nieuwe scheuten die dan gevormd worden zullen het daarop volgende jaar vruchtknoppen ontwikkelen. Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.
Verjongen
Vooral zure kersen als hoogstamboom kunnen na enkele jaren veel te dicht worden in de kroon. Ze kunnen dan verjongd worden, door de gesteltakken op 1 m vanaf het begin van de kroon weg te nemen. Op de teruggesnoeide takken zullen zich sterke vervangingsscheuten ontwikkelen, waaruit weer een nieuw, open gestel ontwikkeld kan worden. De verjonging kan het beste midden in de zomer uitgevoerd worden, om het risico van infectie met loodglans zo klein mogelijk te houden. Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.
Ziekten en plagen
Alle steenvruchten (zoals kers, perzik, abrikoos etc.) zijn gevoelig voor loodglans, bacteriekanker. Net als op de appel kan ook vruchtboomkanker optreden.
Loodglansziekte wordt veroorzaakt door de paarse korstzwam (Chondrosteum purpureum), die zich als wondparasiet in de takken vestigt. Die verkleuren daardoor van binnen bruinpaars. De opperhuid van de bladeren aan deze takken komt los te zitten doordat er lucht onder komt, wat de typische grijsgroene bladverkleuring veroorzaakt. De zwam leeft niet in gezond hout, maar parasiteert wel op dood hout. Snoeihout moet dan ook verwijderd worden. Ook onbehandeld loofhout van boompalen, afrasteringen etc. kan een infectiebron gaan worden. Snoeien net na de oogst of in het voorjaar beperkt de kans op wondinfectie, evenals het afdekken van de wonden met een wondafdekmiddel. Bestrijding heeft alleen zin bij licht aangetaste bomen. Aangetast hout moet met ontsmet gereedschap nauwkeurig weggeknipt en afgevoerd worden. Ook kan een flinke stikstofbemesting helpen om de boom weer in goede conditie komt en zo de besmetting overgroeit. Is de boom zwaar aangetast of heeft de zwam de stam bereikt, dan zal hij gerooid moeten worden. Naast steenvruchten zijn ook de appel ‘Early Victoria’ en de peren ‘Beurré Hardy’, ‘Conference’, ‘Triomphe de Vienne’ en de pruimen ‘Czar’, ‘Early Laxton’, ‘Jefferson’ en de ‘Reine Claude d’Althan’, ‘Reine Victoria’ en ‘Reine Claude Verte’ gevoelig voor loodglansziekte.
Bacteriekanker (Pseudomonas syringae) komt alleen voor bij steenvruchten, en veroorzaakt in sommige jaren het plotseling afsterven van schijnbaar gezonde bomen. De ziekte is te herkennen aan eerst samengevouwen, later verklevend en afvallend blad, en ingezonken plekken op de takken of de stam. Bij zwaardere aantasting onstaan holle ruimtes in de stam, waar de bast strak overheen gespannen staat. Er is geen bestrijdingsmethode voor de aantasting. Vooral bomen op natte of juist zeer droge grond zijn de bomen gevoeliger, en zware bemesting kan beter vermeden worden. Bij een beginnende aantasting kan aangetast hout met ontsmet gereedschap nauwkeurig verwijderd en afgevoerd worden. Wanneer de stam ook aangetast is moet de boom gerooid worden.
Vruchtboomkanker wordt veroorzaakt door de zwam Nectria galligena, die via wonden en beschadigingen (snoeiwonden, schurende takken of hagelschade) de boom kan binnendringen. Hoewel de ziekte vooral bij appelbomen toeslaat, kan hij ook voorkomen bij peer en steenvruchten. Eerst ontstaan kleine ingezonken plekjes bij de takbasis of rond knoppen. De bast scheurt, vaak in de lengterichting, soms ook rondom de tak. Er ontstaat wondweefsel, waarmee de boom probeert de wond af te sluiten, maar vaak is de tak al helemaal afgestorven voordat de wond geheeld is. Ook op de vruchten kan rondom de kelkholte een rotte plek ontstaan, met voortijdige vruchtval tot gevolg. Vruchtboomkanker komt vooral voor op de nattere, zure gronden, vaak geholpen door een eenzijdige stikstofbemesting. De takken groeien daardoor te lang door, en gaan te weinig afgehard de winter in. De zwam verspreidt zich in de herfst. Bestrijding heeft ook weer alleen zin bij een lichte aantasting. Na de oogst kunnen bij droog weer de aangetaste takken en eventueel de beschadigde plekken tot op het gezonde hout met ontsmet gereedschap zo veel mogelijk verwijderd worden. De wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel. Na de oogst, wanneer respectievelijk 30, 60 en 90% van het blad van de boom gevallen is, kan gespoten worden met middelen op basis van de werkzame stof captan (alleen verkrijgbaar voor bedrijfsmatige gebruikers), om te voorkomen dat de zwam zich via sporangiën opnieuw verspreidt.
Kersen zijn gevoelig voor gommen (het lekken van vocht uit de stam) na verwonding als gevolg van snoeien of harde wind. De vruchten kunnen als gevolg van vochtige weersomstandigheden barsten of rotten. De schade is te beperken door het aanbrengen van een plastic regenkap of door de (lei)bomen anderszins af te schermen van de regen.
Bij een kers die geen vruchtsporen aanmaakt zodra hij 4 jaar of ouder is, kan geprobeerd worden de groei te remmen door de takken niet onder 45 graden, maar horizontaal aan te binden.
Rassen
Kersen zijn, enkele uitzonderingen daar gelaten, over het algemeen niet zelfbestuivend (zelffertiel). Voor een goede kruisbestuiving zullen dus vaak 2 bomen aangeplant moeten worden. Ook bij zelfbestuivers is de opbrengst vaak groter wanneer er een tweede, gelijktijdig bloeiende boom bij in de buurt staat.
Een overzicht van de rassen en hun bestuivers staat in de bijlage Kers – bestuiving.
Hoe moet/mag ik mijn perzik snoeien? Hij is topzwaar en er is een zware tak uit weggescheurd.
Allereerst zal de wond van de afgescheurde tak zo netjes mogelijk afgewerkt moeten worden, en afgedekt moeten worden met een wondafdekmiddel. Daarna zal het gestel van de boom teruggebracht moeten worden tot maximaal 5 gesteltakken, en zullen de overtollige zijtakken verwijderd moeten worden. Meer over de verzorging van de perzik kunt u lezen in de onderstaande tekst.
Deze tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Perzik (Prunus persica)
Algemeen
Onze perzik is, net als de abrikoos, oorspronkelijk afkomstig uit China. De bomen zijn via Perzië (het huidige Iran) verspreid naar de landen rond de Middellandse Zee. De perzik heeft een lichtbehaarde schil. De variant met een gladde schil (Prunus persica nucipersica) wordt nectarine genoemd. Perziken kunnen wit, geel of rood vruchtvlees hebben. Net als de kers en de pruim is het een steenvrucht. De perzik is zelfbestuivend (zelffertiel), maar door het aanplanten van verschillende rassen kan de productie verbeteren. Perziken die niet geënt zijn, en dus op eigen wortel groeien, kunnen 10 m hoog worden. Sommige oude rassen komen soortecht uit zaad terug. De meeste perziken zijn echter geënt. Door de perzik te enten op een langzaam groeiende onderstam blijft de hoogtegroei van de boom beperkt, en zal hij op jongere leeftijd vrucht dragen. Sterk groeiende onderstammen (voor hoogstambomen) zijn Myrobalan B en Brompton. De meest toegepaste onderstam is St. Julien-A, die ook nog flinke bomen oplevert. Pumi-Selekt is een nieuwe zwakgroeiende en virusvrije onderstam, die ook gebruikt wordt voor abrikozen.
Omdat de perzik vaak al eind maart of begin april bloeit, is de kans groot dat de bloesem door nachtvorst beschadigd raakt. Ook zijn in die tijd van het jaar vaak nog te weinig insecten actief om voor de bestuiving te zorgen. Dat maakt dat abrikozenbomen regelmatig een jaar geen vruchten geven. Handmatige bestuiving met behulp van een kwastje kan de vruchtzetting bevorderen. Door de perzik als leivorm op een zeer zonnige en beschutte plek aan te planten, bijvoorbeeld tegen een zuidmuur, kan de kans op succes iets vergroot worden: de bomen staan meer beschut, de bloesem kan indien nodig wat makkelijker tegen (nacht)vorst beschermd worden, en de bloemen zijn goed bereikbaar wanneer handmatige bestuiving toegepast wordt. De vruchten kunnen in de kas of onder glas al in juli rijpen, maar buiten gebeurt dat doorgaans pas in augusutus.
Als de bloesem geen schade opgelopen heeft door nachtvorst kan de boom zoveel vruchten geven, dat vruchtdunning nodig is om voldoende vruchten tot rijping te laten
Perziken zijn, net als alle andere bomen met steenvruchten, via snoeiwonden zeer vatbaar voor schimmelinfecties. Snoeiwonden moeten daarom afgedekt worden met entwas of wondbalsem. Snoeiresten kunnen eveneens een bron van infectie vormen, en moeten dus afgevoerd worden.
Verzorging
Perziken houden van een diep doorgewerkte, lichte kalkrijke grond (bijvoorbeeld zavel). Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Ze kunnen het beste aangeplant worden in oktober of november. In het voorjaar krijgen ze graag een dek van goed verteerde stalmest of compost. Bij bleek of gelig groen gekleurd blad wordt een aanvullende bemesting met een stikstofrijke kunstmest in april en juni op prijs gesteld.
Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en leivormen. De meest toegepaste leivorm voor de perzik en nectarine is de waaier. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt. Vrijstaande bomen moeten minimaal 8 tot 10 m uiteen geplant worden. Wordt de leivorm voor een muur of schutting geplant, dan moet hij minstens 20 cm van de wand af gezet worden. De onderlinge plantafstand bedraagt minimaal 6 tot 7 m. Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Perziken bloeien voornamelijk op tweejarig hout. De eerste jaren wordt vooral op vorm gesnoeid.
De snoeiwijze voor struiken, halfstam- en hoofdstambomen is in principe gelijk. De struik wordt na het planten tot 60 boven het maaiveld ingekort (de bomen tot 60 cm boven het punt waar de kroon moet beginnen). Als er al sterke zijtakken aanwezig zijn die een grote hoek met de stam maken, kunnen die gebruikt worden om het gestel te gaan vormen. In totaal zijn er 4 à 5 gesteltakken nodig. De aanwezige zijtakken worden tot een lengte van 10 cm ingekort. Aan het eind van het eerste groeiseizoen worden de verlengingen en de nieuwe, goed geplaatste zijtakken tot de helft ingekort op een buitenoog. Verkeerd (omlaag) groeiende zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De daarop volgende 3 jaar wordt dit telkens herhaald, waarbij erop gelet moet worden dat de takken evenwichtig over de struik of boomkroon verdeeld komen te zitten. Na het vierde of vijfde jaar wordt alleen verjongd. Natuurlijk moet dood, ziek of kruisend hout wel jaarlijks weggeknipt worden.
Om een leivorm, in dit geval een waaier, te vormen, wordt de hoofdstam van de struik direct na aanplant teruggeknipt tot 40 cm boven de grond, en net boven een bladknop (puntig) of een drielingknop (2 ronde bloemknoppen en een spitse bladknop). Op de muur of schutting worden horizontale draden gespannen met een onderlinge afstand van circa 10 cm. Tijdens het groeiseizoen groeit de bovenste knop vertikaal door als verlenging van de stam, en vormen zich zijscheuten. Van de zijscheuten worden 2 sterke, bijna tegenover elkaar staande takken aangehouden, een naar de linkerkant en een naar de rechterkant. De andere zijtakken worden bij de stam weggeknipt. Als de resterende zijscheuten circa 50 cm lang zijn, wordt de hoofdstam enkele centimeters boven de bovenste van de 2 zijscheuten afgeknipt, en de wond afgedekt met een wondafdekmiddel. De zijscheuten worden onder een hoek van 45 graden aangebonden, eventueel langs een al eerder schuin aangebonden stok. In oktober of november worden beide zijscheuten met de helft ingekort.
Tijdens de tweede zomer ontstaan zijscheuten op de gesteltakken. Hiervan mogen er per tak 4 doorgroeien: 2 schuin omhoog, 1 ter verlenging van de gesteltak en 1 aan de onderkant van de gesteltak. De andere zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De nieuw gekozen zijtakken (in totaal dus 8) worden wat gespreid aangebonden. In februari worden de nieuwe zijtakken met 1/3 ingekort.
In de derde zomer mogen per zijtak 3 mooi gespreid geplaatste nieuwe zijtakjes doorgroeien. Alle andere zijtakjes worden weer weggeknipt. In oktober of november worden de zijtakjes met een kwart ingekort.
Als het gestel gevormd en de waaier opgevuld is, worden alle verkeerd geplaatste of van de muur af groeiende takjes in de zomer ingekort op circa 7 cm. In de wintermaanden worden waar nodig de verlengingen ingekort, of zijtakken ter verjonging weggeknipt.
De perzik draagt vruchten op tweejarig hout, dus op de scheuten die de vorige zomer zijn gevormd. Na de oogst worden daarom de takken die vruchten hebben gegeven weggeknipt. Aan de basis van de gesteltak wordt een jonge tak geselecteerd die het komende jaar vrucht gaan dragen. Dan mag er nog een scheut (voorlopig) blijven zitten als eventuele reserve, en de verlengingsscheut mag doorgroeien. Alle andere zijscheuten worden weggesnoeid op een stompje ter lengte van de eerste twee bladeren na. Tijdens de groeiperiode wordt de geselecteerde zijtak op een lengte van circa 50 cm afgeknipt. De reservescheut wordt verwijderd. Wanneer de perzik te veel zijscheuten blijft produceren, kunnen de overbodige zijtakken beter helemaal weggehaald worden.
In jaren van overvloedige vruchtdracht moet vaak vruchtdunning toegepast worden om er voor te zorgen dat ook voldoende vruchten de kans krijgen te rijpen. Circa 2 maanden na de bloei, of als de vruchten de maat van een kers hebben, wordt er door wegnijpen van het teveel aan vruchten voor gezorgd dat er tussen de vruchten een ruimte ontstaat van 10 tot 15 cm. Tijdens het groeiseizoen, maar vooral aan het eind van de rijpingstijd heeft de perzik veel behoefte aan vocht. Een dripsysteem kan zodoende zorgen voor een gelijkmatige watergift. Handmatig watergeven kan uiteraard ook. Omdat juli een droge maand kan zijn, moet dan speciaal op gelet worden dat de boom voldoende water krijgt. Perziken rijpen (in tegenstelling tot bijvoorbeeld peren) aan de boom.
Ziekten en plagen
Voortijdig rotten en/of afvallen van vruchten kan veroorzaakt worden door kalkgebrek. Het volgende voorjaar kan extra bemesting gegeven met een kalkhoudende meststof.
Bleekgroen blad in de zomer wijst op voedseltekort, en is op te lossen door in het daarop volgende voorjaar 125 gr patentmest te geven voor ieder jaar dat de boom oud is.
De abrikoos is (net als de abrikoos) erg gevoelig voor krulziekte, veroorzaakt door de schimmel Taphrina deformans. Jonge scheuten zien er opgezwollen uit, blad is vreemd gebobbeld of misvormd met geelgroene of rode verkleuringen. De bladranden krullen naar binnen. Aangetast blad valt vaak voortijdig af, terwijl aan de kale, aangetaste topscheuten weer nieuwe bladgroei start. Het afgevallen aangetaste blad moet verwijderd worden om hernieuwde infectie te voorkomen. Bestrijding is mogelijk door half januari te spuiten met Bordeauxse pap (met een herhalingsbehandeling 2 weken later).
Bordeauxse pap is een mengel van 25 liter water met daarin opgelost 250 gr kopersulfaat en waaraan met behulp van een fijne zeef 200 gr gebluste kalk toegevoegd wordt. Gebruik van koperhoudende bestrijdingsmiddelen is niet overal toegestaan. Uw gemeente of een lokaal werkende hovenier of tuincentrum weet hier meer over. Als alternatief kunnen de bomen bespoten worden met een middel tegen schimmelinfecties als Finesse vloeibaar (werkzame stof chloorthalonil) van fabrikant Bayer. Hoewel de boom zich meestal na half juni herstelt van de krulziekte, kan hij er op den duur door uitgeput raken, en last krijgen van gomziekte. Op verschillende plaatsen lekt dan vocht uit de stam, dat opdroogt tot een bruine, gomachtige substantie.
Rassen
Perziken zijn zelfbestuivend. Toch zullen de bomen regelmatiger en rijker vrucht dragen wanneer er een andersoortige perzik als bestuiver in buurt aangeplant is.
groei vrucht bijzonderheden
Amsden + klein, wit, vast zittende steen, redelijke smaak vroeg rijp (2e helft van juli), ook geschikt voor kas
Benedicte, Meydicte witgroen, los zittende steen, smakelijk laat rijp (begin september), zou weinig vatbaar zijn voor krulziekte
Champion ++ groot, wit, zeer smakelijk midden rijp (2e helft van of eind augustus), soms erg vruchtbaar, ook geschikt voor kas
Charles Ingouf ++ wit, los zittende steen, smakelijk midden rijp (1e helft van augustus), soms erg vruchtbaar
Fertile de Septembre wit zaadvast, laat rijp (begin september), zou iets minder vatbaar zijn voor krulziekte, soms erg vruchtbaar
Peregrine + wit, los zittende steen, smakelijk laat rijp (2e helft van augustus), ook geschikt voor kas
Redhaven + geel met rood rond de steen, stevig, los zittende steen, smakelijk laat rijp (2e helft van augustus), soms erg vruchtbaar
Revita ++ wit, stevig, vast zittende steen, redelijke smaak laat rijp (2e helft van augustus), zou weinig vatbaar zijn voor krulziekte
Vaes Oogst, Half Oogst ++ wit, redelijke smaak laat rijp (eind augustus)
Wassenberger (en vrijwel gelijke cultivars als Kernechter vom Vorgebirge, Roter Ellrstädter, Reine de Vergers) ++ groot, wit met rood rond de steen, los zittende steen, smakelijk zaadvast, laat rijp (begin september), zou iets minder vatbaar zijn voor krulziekte
nectarine Early Blaze geel, zoet
nectarine Madame Blanchet wit, los zittende steen, smakelijk laat rijp (begin september)
nectarine Red Gold
nectarine Ruby Gold
Groeikracht: ++ = (zeer) sterk, + = matig tot sterk, o = zwak
Kweekvorm: H = hoogstam, h = halfstam, S = struik, L = leivorm
Mijn notenboom (okkernoot) staat reeds 4 jaar in het gazon. Het eerste jaar had deze boom grote groene bladeren en droeg hij zelfs een tweetal noten. De drie jaren die volgden waren de bladeren half zo groot en bleekgroen. De boom is zo goed als niet gegroeid. Valt er nog iets aan te vangen met deze boom of moet hij vervangen worden? De grond is vruchtbaar en goed doorlatend.
Van afstand is het moeilijk om te beoordelen wat er mis is. Notenbomen zijn kieskeurig ten aanzien van hun standplaats, en reageren vaak vervelend op een verplanting, ook jonge exemplaren. U geeft al aan dat uw grond vruchtbaar en goed doorlatend is. De walnoot groeit alleen op een goed ontwaterde, kalkrijke vruchtbare grond, die absoluut niet zuur mag zijn. De grond moet daarnaast rijk zijn aan magnesium en fosfaat en sporenelementen. De walnoot heeft veel licht en ruimte nodig, en staat dus bij voorkeur solitair, of anders minstens 8 meter bij andere bomen vandaan. De walnoot maakt een breed en diep wortelgestel dat tamelijk fijn vertakt is. Bij aanplant moet het plantgat zo groot mogelijk zijn, bij voorkeur zeker een meter diep, en liefst losgemaakt zijn tot op het grondwater. Notenbomen zijn ook nogal gevoelig zijn ten aanzien van bemesting. Te veel mesten geeft risico van plagen (luis en bacterieziektes), te weinig voeding in de grond geeft groeiproblemen. Het aanbrengen van een boompaal zorgt ervoor dat notenbomen, die van nature vaak scheef waaien, steviger verankerd staan, en daardoor sneller en beter aanslaan.
Het kan zijn dat de grond bij u toch net te zuur is, of dat bepaalde voedingsstoffen ontbreken. Om dat te beoordelen zou u een grondmonster kunnen (laten) nemen. Dat wordt in het voorjaar door veel hoveniers en tuincentra als service aangeboden. Het kan ook zijn dat de wortels van de boom bij de aanplant beschadigd zijn, en dat de boom zich daar nog van aan het herstellen is. Of dat de boom in een te klein plantgat is geplaatst. Als de verankering van de boom te wensen overlaat kan het helpen om een extra boompaal aan te brengen, zodat de boom bij harde wind ook ondergronds minder beweegt. Ook wil het nog wel eens helpen om een mulchlaag aan te brengen in een groot gebied rond de stam. Mulchen is het aanbrengen van een tot 10 cm dikke laag van organisch materiaal. Hiervoor kan van alles gebruikt worden. Grasmaaisel, bladafval, versnipperde takken, compost, stro, plantenresten, zelfs krantenpapier (onkruid onderdrukkend!). Het materiaal verteert langzaam tot humus. Bij de vertering komen veel sporenelementen vrij, die dan geleidelijk en verspreid de wortels bereiken. De mulch vormt uiteindelijk een rulle, voedselrijke toplaag, die de ondergrond beschermt tegen uitdroging. Bij het verteringsproces wordt stikstof onttrokken aan de grond. Dit kan gecompenseerd worden door wat bij te mesten met een stikstof houdende meststof. Bij planten die gevoelig zijn voor bepaalde (blad)schimmels, zoals meeldauw bij rozen, druif etc., kan beter niet gemulcht worden met het eigen blad. Dat geldt ook voor de notenbomen, die vanuit het afgevallen blad geïnfecteerd kunnen raken met de bladvlekkenziekte.
Ik heb een appelboompje naast de sloot staan dat scheef gaat groeien. Graag zou ik dit boompje verplaatsen. Kan dat, en in welke periode moet ik dat doen en waar moet ik op letten? Moet ik er gelijk iets aan snoeien?
De appelboom kan verplant worden tussen november en februari. Waar u op moet letten bij het verplanten kunt u nalezen op www.mwiarda.nl/appeltern.htm. Snoeien van een appelboom gebeurt tussen begin december en eind februari. Hoe u dat kunt doen kunt u lezen in de volgende tekst.
Deze tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Appel (Malus)
Algemeen
Onze appelbomen stammen uit Centraal-Azië, waar wel 25 verschillende soorten in het wild voorkomen. Waarschijnlijk zijn de appels verder via de zijderoute verspreid, zowel naar China als naar Europa. Uit China is de enttechniek afkomstig. In Nederland komt alleen Malus sylvestris in het wild of verwilderd voor. De vruchtdragende appelboomrassen stammen hier als Malus sylvestris var. domestica allemaal van af. Daarnaast komen talloze sierappelsoorten voor.
De meeste appelrassen hebben een bestuiver nodig om tot vruchtzetting te komen, andere zijn zelfbestuivend. Bestuiving vindt plaats door insecten. Zelfbestuivers geven grotere vruchten wanneer er een bestuiver in de buurt staat. Ook sierappels kunnen soms als bestuiver dienst doen. Bij vroegbloeiende rassen kan de bloesem soms schade oplopen bij late nachtvorst. Wordt er zware nachtvorst voorspeld terwijl de boom in bloei staat dan wil het vernevelen van water, zodat een kunstmatige mist ontstaat, nog wel eens helpen om de schade te voorkomen.
Verzorging
Appels groeien graag op voedzame, doorlatende grond, die iets aan de zure kant of neutraal is. Daarnaast waarderen ze een zonnige, beschutte standplaats, waar de grondwaterstand niet te hoog is. Appels kunnen aangeplant worden tussen november en eind februari, zolang het niet vriest.
Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en diverse leivormen, die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt.
Voor vrij uitgroeiende hoogstambomen wordt een plantafstand aangehouden van 12 m. Bij halfstambomen is 7 m voldoende, terwijl laagstambomen op 3 m afstand van elkaar gezet kunnen worden, of zelfs minder. Bij leivormen is de gewenste vorm bepalend voor de plantafstand (snoer, palmet, piramide enz.). Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.
Het snoeien van appel- en perenbomen is in werkwijze vrijwel gelijk, en heeft twee doelen. Ten eerste is het de bedoeling om een evenwichtige kroon (of leivorm) te ontwikkelen, met niet te veel gesteltakken. Ten tweede zal de boom, om er vruchten van te krijgen van de boom, vruchtlot of spoortjes moeten gaan vormen.
Snoeien gebeurt tussen begin december en eind februari, wanneer de groei stil staat, en wanneer het niet harder vriest dan -5 graden Celsius. Het eerste jaar worden de gesteltakken gevormd, in totaal circa 5 stuks. De gesteltakken worden het tweede jaar op een lengte van circa 50 cm net boven een omlaag gericht buitenoog gesnoeid. Bij leivormen als het palmet en de piramide worden deze gesteltakken horizontaal aangebonden. De overige scheuten worden (indien nodig) weggeknipt. Het doel hiervan is om een wat horizontaal van de boom afstaand takkenstelsel te krijgen, waarbij de gesteltakken zich in etappes verlengen. Door de geleidelijke verlenging ontstaan zijtakjes, waarop zich later het vruchtlot zal gaan vormen.
Het derde jaar worden de verlengende delen van de gesteltakken in de winter weer teruggeknipt op 25 cm lengte, waarbij gesnoeid wordt op een buitenoog dat tegenovergesteld staat ten opzichte van de snoeirichting van de vorige snoeibeurt. Zo ontstaat een zigzag-patroon van verlengingen dat op den duur weer een bijna rechte, maar wat horizontaal afstaande gesteltak oplevert. De zijtakjes die zich op de gesteltakken gevormd hebben worden in de tweede helft van juli ingekort tot 3 bladeren, of een lengte van ongeveer 10 cm.
De daarop volgende jaren herhaalt dit patroon zich. In de winter wordt telkens eerst dood, kruisend en ziek hout weggehaald. Alle vertikaal omhoog groeiende zijtakjes worden helemaal verwijderd: op meer horizontaal groeiende takken ontwikkelt zich meer vruchtlot. Ook zijtakken die naar de spil toegroeien worden weggehaald, net als sprieterig doorgeschoten jong schot met weinig knoppen.
De verlengingen van de gesteltakken worden weer ingekort tot 25 cm op een tegenoverliggend, liefst omlaag gericht oog. Hebben de gesteltakken hun uiteindelijke lengte bereikt dan wordt de nieuwe aanwas telkens helemaal weggehaald. In de zomer worden zijtakken en secundaire zijtakken telkens tot 3 bladeren of 10 cm teruggeknipt. Hierop ontwikkelen zich in de loop der jaren de bloemdragende spoortjes. Wanneer deze te dicht op elkaar staan moeten de spoortjes in de winter gedund worden.
Voor het opkweken als spil, piramide of palmet wordt na het planten in het eerste jaar de hoofd- of spiltak op 80 cm hoogte afgeknipt, of op 20 cm boven de bovenste gesteltak. Ieder jaar zorgt de topscheut voor een verlenging, tot een totale hoogte van maximaal 2,5 m bereikt is. Door telkens op een tegenoverliggend ook terug te snoeien ontwikkelt zich uiteindelijk een min of meer doorlopende spil. Heeft de leivorm de gewenste hoogte bereikt dan wordt de kop telkens teruggezet tot op de laatste gesteltak onder de top. De gesteltakken of zijscheuten worden afgesnoeid op een lengte van 1 m. Takken die ontstaan op de onderste 70 cm van de spiltak of stam worden geheel weggehaald. De nieuwe groei op de gesteltakken wordt in de winter telkens ter geleidelijke verlenging teruggesnoeid tot 25 cm, de zijtakken op 3 bladeren of 10 cm. Verder verloopt het snoeien hetzelfde als bij een vrijstaande boom.
Bij een snoer wordt de hoofdspil onder een hoek van 45 graden aangebonden. De top van de spil wordt pas weggesnoeid als hij zijn totale lengte bereikt heeft. Er worden geen gesteltakken gevormd. De zijtakken worden in november teruggesnoeid tot 4 knoppen, de secundaire zijtakjes op 3 cm. Dit wordt in de zomer herhaald, waarbij bij de snoei de bladrozetten aan de basis van de zijtakken in ieder geval moeten blijven zitten.
Wanneer een boom moeizaam vruchtlot maakt, kan geprobeerd worden dit door kerven te stimuleren. Half maart wordt dan net voorbij een slapend oog een kerf van 5 mm diep in de tak gemaakt. Het slapende oog zal zich op die manier sneller tot zijscheut en later tot vruchtlot ontwikkelen.
Verjongen
Een oude, verwaarloosde appelboom kan in principe verjongd worden. Maar als de boom ouder is dan een jaar of dertig heeft dit weinig zin meer: hij zal slecht herstellen, vaak al verzwakt en ziektegevoelig zijn en weinig goede vruchten geven. In dat geval kan hij beter vervangen worden.
Het kan zijn dat een verwaarloosde boom te hard gegroeid is doordat de ent onder de grond terecht is gekomen (bijvoorbeeld bij een ophoging) en nu op eigen wortel groeit. In dat geval zal eerst de schors geringd moeten worden. Ook kan de boom door te veel of te weinig snoeien uit vorm geraakt zijn. In dat geval kan door verjonging geprobeerd worden hem zo te fatsoeneren dat hij over enkele jaren misschien weer vrucht gaat dragen. Een oude boom kan het best in februari gesnoeid worden, vlak voordat de groei op gang komt. Wonden groeien dan het snelst dicht, waardoor het risico op infecties het kleinst is. Wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel. Eerst wordt al het dode, gebroken, zieke en kruisende hout weggesnoeid. Verder worden 4 of 5 goede, wat horizontaal afstaande gesteltakken gespaard. De andere takken worden glad bij de stam afgezaagd, zonder stomp. De grotere snoeiwonden worden afgedekt met entwas of wondbalsem. De aan de gesteltakken resterende zijtakken worden zonodig uitgedund en ingekort, en waar nodig worden de vruchtsporen uitgedund. De spoortjes onderaan de takken worden helemaal weggehaald. Het uitdunnen, inkorten van de nieuwe zijscheuten en het dunnen van de spoortjes wordt daarna ieder jaar herhaald: bij zwak groeiende bomen in de winter, bij te sterk groeiende bomen in de zomer.
Naast de verzorging van de boom zelf zal bij de opknapbeurt van de verwaarloosde bomen ook aandacht aan de naast omgeving geschonken moeten worden: concurrerende bomen en heesters in de directe nabijheid verwijderen, de ondergrond onkruidvrij maken en (bij zwakgroeiende bomen) een extra bemesting met een organische meststof: goed verteerde stalmest of (bij zuurdere gronden) compost. Scheefstaande bomen kunnen voorzien worden van 1 of meerder boompalen en –banden, of gestut worden.
Bij een veel te sterk groeiende oudere appel- of perenboom kan, mits hij in goede conditie is, geprobeerd worden de groei te remmen door de schors te ringen. In de eerste helft van juli wordt rond de hele stam van de boom over een breedte van 5 mm met een scherp mes een ring schors (het zachte weefsel) weggesneden tot op het hout. De wondring wordt direct daarna afgetaped met breed plakband. Hierdoor wordt de wond afgeschermd van de lucht, ongedierte en andere infectiebronnen, en kan gelijk het herstel beginnen. Het idee achter het ringen is dat het transport van voedingsstoffen in de boom tijdelijk onderbroken wordt, waardoor de groei afneemt.
Een andere groeiremmende maatregel is het toepassen van wortelsnoei. In een cirkel met een straal van circa 1,5 m rond de stam wordt een greppel gegraven. Dikke wortels die hierin opduiken worden afgezaagd en zo mogelijk verwijderd. De jonge, vlezige wortels mogen blijven zitten. Na het uitvoeren van de wortelsnoei wordt de greppel zo snel mogelijk weer gedicht.
Ziekten en plagen
De stam kan aangetast worden door stambasisrot, de stam en takken door vruchtboomkankers. De stam en de takken door kanker. Voortijdig rotten en/of afvallen van vruchten kan veroorzaakt worden door Moniliarot of Botryris. Ook insecten kunnen schade veroorzaken aan de vruchten, zoals bladrollers, appel- en wollige bloedluis, en de appelzaagwesp. Het blad kan aangetast worden door bladluis, maar ook door schurft en meeldauw. Kurkstip wordt doorgaans veroorzaakt door calciumgebrek in de grond.
Ik ben dit jaar verhuisd. In de tuin staat een druif die al wat jaartjes oud is, hij heeft ook druiven gegeven. Hoe moet ik hem snoeien en wanneer?
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Druif (Vitis vinifera)
Algemeen
De druif (Vitis vinifera) is oorspronkelijk afkomstig uit het Middenoosten (Iran, het vroegere Perzië). In Nederland vond in de middeleeuwen al wijnbouw plaats. In de vorige eeuw zijn veel wijngaarden ten prooi gevallen aan de druifluis, die 90% van de stokken heeft aangetast. De druif heeft voor een goede rijping veel zon en warmte nodig, en wordt daarom doorgaans in kassen gekweekt. De productiekosten van verwarming maakten de professionele teelt hier steeds minder rendabel, waardoor het aantal producenten nog verder afnam. In Oost-Nederland, Zuid-Limburg en België zijn wel (weer) wijngaarden te vinden, waar vooral nieuwe druivensoorten geteeld worden die beter tegen ons koele klimaat bestand zijn en vroeger rijpen. Voor huis- tuin- en keukengebruik is het goed mogelijk een druif aan te planten, en daar ook nog druiven van te oogsten. Er zijn goede winterharde en vroegrijpende rassen te koop. Bij de aanschaf is het belangrijk om te letten op de resistentie tegen schimmels. De druif is een bladverliezende plant, die geleid moet worden.
Verzorging
Zoals gezegd heeft de druif om de vruchten te laten rijpen veel zon nodig. Een plek pal op het zuiden tegen een muur, schutting, pergola of op een balkon is ideaal. Voordat de druif geplant wordt kan een steunconstructie aangebracht worden, waar de gesteltakken later makkelijk aan aangebonden kunnen worden: een trelliswerk, of bijvoorbeeld enkele stevige horizontale metalen draden met een onderlinge afstand van circa 50 cm.
Druiven groeien in elke goed ontwaterende tuingrond, met voldoende humeus materiaal. Ze hebben een hekel aan natte voeten, zware klei of echt zure grond. Het beste groeien ze op een kalkrijke, kleiachtige grond, of een humushoudende zandgrond. Als dat nodig is moet dus voor het planten voldoende compost of ander organisch materiaal in en rond het plantgat aangebracht worden, of, als de grond te zuur is, een kalkhoudende meststof. Het plantgat moet voldoende ruim zijn, zodat de wortels goed gespreid kunnen worden. Bij het planten kan alvast gekeken worden hoe de takken zich ontwikkelen, en hoe ze straks aangebonden kunnen gaan worden. Tijdens het planten kan de kluit nat gemaakt worden door een extra watergift, of door hem te dompelen in een emmer water. Plant de druif net zo diep als hij op de kwekerij stond, en vul het plantgat aan. Na het planten de grond rondom de plant voorzichtig aandrukken. Laat de grond eerst enkele weken inklinken voordat de gesteltakken aangebonden worden.
Als de grond gezakt is en de druif echt op zijn plaats staat kan het aanbinden beginnen. Pas er daarbij voor op dat het materiaal waarmee het aanbinden gebeurt niet in de twijgen kan gaan snijden als de takken dikker worden. Metaaldraad is hier berucht om.Het beste kan het aanbinden gebeuren met een materiaal dat makkelijk te vervangen of verstelbaar is. In tuincentra zijn hier speciale verstelbare binders voor te koop.
Het aanbinden kan in principe op verschillende manieren gebeuren, afhankelijk van de plek waar hij staat. Als er 1 hoofdgesteltak is, wordt dat een snoer genoemd. Zijn er 2 hoofdgesteltakken, dan heet dat een dubbel snoer. Deze vorm is vooral geschikt als de druif bijvoorbeeld over een pergola moet gaan groeien. Daarbij gaat de hoofdgesteltak in eerste instantie kaal omhoog, en wordt pas op hoogte vertakt. Zijn er meerdere zijtakken, dan kan door gebogen aanbinden van de zijtakken een espalier of palmet gevormd worden, zoals de oude leivormen van fruitbomen tegen de muren genoemd worden. Bij druiven komt het snoer het meeste voor. De hoofdgesteltak kan verticaal doorgroeien tot de uiteindelijke hoogte waar de hoogste zijtak later afgebogen gaat worden. Daar wordt hij (uiteindelijk) afgeknipt. De zijtakken (leggers) worden naar links en rechts uitgebogen, en aangebonden. Alle takken en takjes die zich daartussen of daarnaast op de hoofdgesteltak ontwikkelen worden tot op de stam weggeknipt.
In het voorjaar kan de druif bemest worden met bijvoorbeeld gedroogde koemest (iets verzurend) of bloed- of beendermeel (voor meer kalk in de grond). De meststof moet in ieder geval veel calcium en kalium bevatten. Bij een tekort aan voedingsstoffen (of te weinig zonuren) komt de vruchtzetting niet goed op gang. Omdat de wortels van de druif doorgaans ver uitgroeien, heeft het weinig zin om alleen rond de stam te bemesten.
De druif maakt in juni bloeiknoppen, die eigenlijk al op kleine druiventrosjes lijken. Begin juli bloeit hij met kleine gele bloemetjes, die door bijen bezocht worden. In de loop van juli beginnen zich de druiventrosjes te ontwikkelen.
Snoeien
Het snoeien van druiven lijkt enorm ingewikkeld. Het valt echter reuze mee, wanneer duidelijk is waarom bepaalde handelingen verricht moeten worden.
De wintersnoei vindt bij voorkeur plaats tussen half november en begin januari. Maar als het vriest mag er niet gesnoeid worden. De takken scheuren dan makkelijk of kunnen breken.
Een druif mag nooit gesnoeid worden in de periode tussen half januari en april. Dan komt de sapstroom op gang en bestaat het gevaar dat de plant gaat bloeden, soms met fatale afloop. Pas als hij weer volop in het blad staat kan er zonder risico geknipt worden.
Druiven bloeien op eenjarig hout. Om vruchten te er dus voor gezorgd worden dat er jonge scheuten zijn, maar dan vooral niet te veel. In de winter worden daarom door middel van snoeien enkele stevige jonge zijscheuten geselecteerd die vrucht moeten gaan dragen (de leggers). Deze worden aangebonden, waarna alle overbodige takken bij de stam weggeknipt worden. Ook kunnende hoofdgesteltak en de leggers ingekort worden als deze te lang zijn geworden.
De zijtakken op de leggers worden het eerste jaar teruggesnoeid tot een lengte van circa 10 à 15 cm. Deze stompjes worden stift genoemd. De ruimte tussen de stiften moet minimaal 10 cm bedragen, liefst zelfs iets meer. Staan de stiften te dicht op elkaar, dan worden de overtollige stiften tot op de legger weggeknipt. De volgende jaren wordt dit in de winter herhaald. De groeischeut die zich het jaar daarvoor op de oude stift heeft ontwikkeld wordt dan weer tot 15 cm ingekort, terwijl de andere groeischeuten op en rond die stift weggeknipt worden. Of er worden nieuwe stiften door de oude stiften helemaal weg te knippen. Uit de ogen op de legger ontstaan dan weer nieuwe stiften. De meeste rassen worden gesnoeid op stiften aan de bovenzijde. Enkele nieuwe rassen groeien beter wanneer de scheuten aan de onderzijde van de legger zitten (hangend). Daarbij worden dan de scheuten aan de bovenzijde telkens verwijderd.
Een andere snoeimethode is de zogenaamde Guyot-snoei. Hierbij worden maar 2 jonge zijscheuten horizontaal (of in een vorm) als legger aangebonden om vrucht te gaan dragen. Ze worden afgeknipt op een lengte van 100 cm, of zelfs nog iets korter. De rest van de plant wordt helemaal weggesnoeid. Deze snoeimethode is vooral aan te raden bij rassen (of planten) die minder vruchtbaar zijn, of slappe takken hebben.
Over het algemeen geldt bij het snoeien: hoe minder takken aangehouden worden, hoe groter en voller de druiventrossen zullen zijn.
De zomersnoei heeft als doel de overvloedige bladontwikkeling (die ten koste gaat van de beoogde druivenoogst) binnen de perken te houden. Per stift mag 1 scheut doorgroeien. Na de bloei kunnen alle jonge scheuten waar zich geen trossen aan ontwikkelen direct helemaal weggesnoeid worden. De zijscheuten waaraan zich wel trosjes ontwikkelen, worden boven de eerste afgeknipt. Heeft de plant korte of weinig leggers dan kan boven de tweede tros afgeknipt worden. Hier bij blijft ook wat blad aan de plant zitten, om de jonge trossen te beschermen tegen regen of een teveel aan zon. In de oksels van de stiften zullen zich in de loop van de zomer voortdurend nieuwe scheuten ontwikkelen. Hier komen geen vruchten aan, en ze moeten dan ook zo snel mogelijk, liefst om de 2 of 3 weken, weggehaald worden. Dit karweitje noemt men dieven. Gebeurt dit te laat, dan onttrekken deze groeischeuten te veel vocht en voedsel aan de plant, en zullen de trossen verschrompelen en bruin worden. Dit wordt lamsteligheid genoemd. Dit verschijnsel kan zich overigens ook voordoen als er teveel leggers aan de plant zitten, als er teveel trossen aan de plant hangen of door een teveel aan kalium of een andere meststof in de grond.
Krenten is een ander zomerkarweitje dat uitgevoerd moet worden bij de niet-zelfkrentende druivenrassen. Zodra de trossen groeien, zullen er ook spontaan druifjes uit vallen. Dit is een natuurlijke selectie: alleen de sterkste druiven groeien door. Ook hier geldt weer dat de druiven die doorgroeien dikker zullen zijn naarmate de concurrentie geringer is. Druiven bereiken hun maximale grootte als er niet meer dan 9 druiven aan een tros zitten. Zorgt het druivenras niet zelf voor afstoting van de overtollige kleine druiven in de tros, dan kunnen met een schaartje de kleinste, in groei achtergebleven druifjes eruit geknipt worden.
Stekken
Het is niet moeilijk om een druif te stekken. Er zijn twee methoden. Bij de eerste worden losse stekken gesneden. Bij de tweede wordt de plant afgelegd. De beste tijd om stekken te snijden is december. Dat betekent dat hiervoor goed het bij de snoei vrijkomende hout gebruikt kan worden. De scheut moet verhout zijn. Iedere stek bevat 1 oog. De onderkant van de stek wordt circa 8 cm onder een oog recht afgeknipt. Een centimeter boven het oog wordt de stek schuin afgeknipt, waarna de wond met entwas of kaarsvet afgesloten wordt. De stek wordt net tot aan het oog in een mengsel van zand met turfmolm gestoken. De stekken kunnen ook plat op de stekgrond gelegd worden. In dat geval wordt de stengel boven en onder het oog op circa 2 cm afgeknipt. Daarna wordt de stek plat op de stekgrond gelegd en licht aangedrukt. Gebruik van stekpoeder bevordert de beworteling en gaat de ontwikkeling van schimmels tegen. De stekken worden op een warme plek gezet zonder direct zonlicht. De grond moet wat vochtig blijven. Nadat zich aan de stekken de eerste wortels ontwikkeld hebben kunnen ze opgepot worden. In juli, als ze voldoende afgehard zijn, kunnen ze buiten in de grond gezet worden.
Bij afleggen wordt de scheut waar men wortels aan wil krijgen zonder een scherpe hoek te maken afgebogen naar de grond. Met een mesje wordt de plek waar hij de grond raakt wat beschadigd. De grond moet ter plaatse wat losgemaakt worden. Eventueel kan wat turf of compost doorgemengd worden om ervoor te zorgen dat het er vochtig blijft. De scheut wordt vervolgens vastgezet met een rond gebogen tak of een steen. Nadat zich voldoende wortels gevormd hebben kan de scheut losgesneden worden van de moederplant, en elders geplant worden.
Ziekten en plagen
Druiven zijn gevoelig voor enkele aantastingen, die doorgaans toeslaan bij vochtige, omstandigheden. Hoe opener en luchtiger de struiken zijn, hoe kleiner de kans is dat ze zich voordoen. Ook het schoonhouden van de grond onder de plant is belangrijk om overwintering van ziektekiemen tegen te gaan. De nieuwe, resistente rassen zijn minder gevoelig voor een aantal schimmelinfecties.
Botrytis (grauwe schimmel, Botrytis-rot, nobelrot) kan zich aan het eind van de zomer opeens flink uitbreiden, vooral bij vochtig weer. Kenmerken zijn bruine vlekken op het blad, met later ook grijs schimmelpluis dat een deken vormt over met name dode en afstervende plantendelen. De schimmel overwintert in aangetaste plantendelen of plantenresten op de grond. Daar is hij herkenbaar aan zwarte plekjes op de takken, of als een kluwen van schimmeldraden in de grond of op de bladresten. Als hij in de winter al aanwezig is in of rond de plant, kan hij ook in het voorjaar ook al optreden in de jonge scheuten en bloemtrossen. Aangetaste en dode delen (ook aangetaste bessen) en afgevallen blad moeten zo snel mogelijk verwijderd worden. De struik zo open mogelijk houden, de grond rond de voet schoon en los houden, en zelfs het droog schudden van de plant na een regenbui of een mistige nacht kunnen helpen om de groei van de schimmel te verminderen. Druiven met losse trossen en/of een stevige schil hebben minder last van de aantasting. De nieuwere druivenrassen zijn beter resistent tegen schimmels. Chemische bestrijding is mogelijk. Voor particulier gebruik zijn hiervoor verschillende producten in de handel. Zo kan er preventief gestrooid worden met bijvoorbeeld Teldor spuitkorrels van Bayer en in geval van aantasting kan gespoten worden met bijvoorbeeld Bayer Microsulfo spuitzwavel of Thiram van Luxan.
Echte meeldauw (Uncinula necator) is herkenbaar aan het ontstaan van lichtgele vlekken op het blad, waarna zich aan de bovenzijde van het blad en op de bessen witte, poederachtige schimmelvlekken vormen. De schimmel overwintert in de knoppen of op het oude hout, waar kleine gele of zwarte vlekjes op te zien zijn. Hij slaat vooral toe bij vochtig en warm weer. Het open houden van de plant zorgt ervoor dat hij snel droogt, en de meeldauw zich niet sterk kan uitbreiden. De nieuwere druivenrassen zijn beter resistent tegen schimmels. Bij aantasting is chemische bestrijding mogelijk door te spuiten met een aftreksel van heermoes of met een zwaveloplossing zoals bijvoorbeeld Microsulfo spuitzwavel van Bayer of vergelijkbare zwavelhoudende producten.
Valse meeldauw (Plasmopara viticola) is ook te herkennen aan gele of bruine vlekken op het blad, maar hier zit het schimmelpluis aan de onderzijde van het blad. De schimmel overwintert in afgevallen blad en andere resten op de grond. Als het langdurig vochtig weer is, of hard geregend heeft kan de hij zich explosief naar boven verspreiden, over de hele plant. Het blad wordt uiteindelijk bruin en verdroogt, jonge trossen verschrompelen. Planten in goede conditie (open, luchtig, met niet te veel leggers of trossen) hebben minder last van aantasting. Door aangetast en overtollig blad weg te snoeien wordt verdere uitbreiding tegengegaan. De nieuwere druivenrassen zijn beter resistent tegen schimmels. Chemische bestrijding is mogelijk door te spuiten met bijvoorbeeld Bayer Exact vloeibaar, Luxan spuitzwavel of soortgelijke middelen. Er zijn ook koperhoudende middelen in de handel tegen (valse) meeldauw, maar deze zijn door de uitspoeling van koper naar de grond minder milieuvriendelijk.
Aantasting door de druivenbladgalmijt of wijngaardgalmijt (Eriophyes vitis) is te herkennen aan roodgroene ‘hoopjes’ op jonge bladeren. Wat later ontstaan donkergroene bobbels op het blad. Aan de onderkant van het blad ontstaan witte, viltachtige vlekken, waarin de mijten zich bevinden. Nog later kan misvorming of achterblijvende groei van het blad optreden. Meestal gaat de aantasting niet ten koste van de oogst. Omdat de mijten zich snel voortplanten moet het aangetaste blad zo snel en zoveel mogelijk verwijderd worden. De mijten overwinteren in de bast van het oude hout. In de winter kan de loszittende schors verwijderd worden, om de kans op (hernieuwde) aantasting in het komende seizoen te verkleinen. Meestal is dit afdoende om de aantasting te bestrijden. Is de aantasting hardnekkig, dan kan in de wintermaanden gespoten worden met vruchtboomcarbolineum. De galmijt houdt ook weer niet van zwavel. Tijdens het groeiseizoen helpt een behandeling tegen meeldauw dus ook tegen een aantasting door de galmijt. Preventief kan de stam (nadat de losse schors verwijderd is) ingesmeerd worden met een mengsel van behanglijm en spuitzwavel.
Vogels houden van rijpe druiven. Ze kunnen op afstand gehouden worden door een net te spannen. Het aan de leggers bevestigen van stroken aluminiumfolie kan een afschrikkende werking hebben.
Vooral bij de vroegrijpe druivenrassen kunnen de rijpe druiven ook wespen lokken. Het zetten van een wespenval (een open fles of blikje met een geurende zoete substantie zoals siroop erin) wil nog wel eens helpen om ze (tijdelijk) af te leiden. Door een fijnmazig net kunnen ze op afstand gehouden worden.
Winterharde rassen
De meeste druiven worden tegenwoordig geënt op Amerikaanse onderstammen in verband met de geringere vatbaarheid voor de druifluis. Daarnaast zijn er de laatste jaren nieuwe rassen ontwikkeld die een grotere resistentie hebben tegen schimmels (Botrytis en meeldauw).
Onderstaande tabel bevat een onvolledig overzicht van oude bekende en nieuwe rassen.
Blauwe buitendruiven herkomst bijzonderheden
Acolon Duitsland grote opbrengst, wijndruif, niet zelfkrentend, resistent
Brant rijptijd half september - half oktoberiets ´foxy´ smaak, resistent
Dornfelder Duitsland rijptijd half september - half oktobergeschikt als tafel- en als wijndruif (wit sap), zelfkrentend, enigszins resistent (flink snoeien en open houden bij de zomersnoei)
Dunkelfelder rijptijd half september geschikt als tafel- en wijndruif (rood sap)
Galanth rijptijd half september – eind septemberlosse tros, grote smakelijke bes, resistent
Glorie van Boskoop, Boskoop´s Glorie rijptijd half september - half oktoberredelijke tros, buiten wat zuur en in de kas zoeter, wit sap, zelfkrentend, redelijk resistent, stekt makkelijk, rode herfstkleur (V. coignetiae)
Landal rijptijd half september - half oktober
Léon Millot Frankrijk rijptijd half september tot half oktobergrote opbrengst, kleine compacte tros, erg zoet, wijndruif (Bourgogne), licht rood sap, resistent
Marechal Foch Frankrijk rijptijd half september tot half oktobergrote opbrengst, kleine compacte tros, erg zoet, wijndruif (Bourgogne), licht rood sap, resistent
Muscat Bleu Frankrijk rijptijd half september - half oktobergrote losse tros, grote bes, tafeldruif (muskaat), resistent, snelle groeier
Nero Hongarije rijptijd eind septembergrote tros, grote zoete bes, tafel- en wijndruif
Osella rijptijd half september - half oktoberlosse tros en grote bes, resistent
Regent Duitsland rijptijd half september – half oktobermiddelgrote losse tros, geschikt als tafel- en wijndruif (rood sap, ± Beaujolais of Pinot Noir), resistent, goede groeier
Rembrandt Nederland rijptijd half september – half oktober kleine compacte tros, matige ‘foxy’ smaak, gezond, grote productie
Rondo Duitsland rijptijd half september - eind septembermiddelgrote tros, zoet, tafel- en wijndruif (± Bourgogne), rood sap, niet zelfkrentend, resistent, sterke groeier
Salomé Zwitserland rijptijd eind september grote losse tros, grote bes, tafel- en wijndruif (± Merlot), redelijk resistent, goede groeier
Triomph d´Alsac rijptijd half september tot half oktobergrote opbrengst, kleine compacte tros, erg zoet, wijndruif (Bourgogne), licht rood sap, resistent
Rode buitendruiven herkomst bijzonderheden
Flame Seedless of Red Flame pitloos, vroeg, vraagt veel verzorging
Ganita rijptijd begin oktobergrote tros, middelgrote druif, resistent
Rosetta rijptijd half september - half oktobermiddelgroot
Kalina Zwitserland rijptijd eind september grote tros, neutrale smaak, resistent
Witte buitendruiven herkomst bijzonderheden
Bianca Hongarije rijptijd half september – eind septembervariabele opbrengst, redelijk grote geelgroene bes, tafel- en wijndruif, resistent, makkelijke groeier
Birstaler Muscat rijptijd half september - eind septembertafeldruif, resistent
Fanny rijptijd eind september – begin oktober grote bes, resistent
Lilla rijptijd eind september – begin oktober grote bes, resistent
Garant rijptijd half september – begin oktober groengeel, middelgroot, resistent
Hecker rijptijd eind september groengeel, middelgroot, resistent
Himrot, Himrod, Himröd Amerika rijptijd eind september pitloos, grote losse tros, zoet, resistent
Johanniter Duitsland wijndruif (± Riesling), resistent
Lakemont Amerika rijptijd half september – eind septemberpitloze zoete tafeldruif, zelfkrentend, redelijk resistent
Merzling Duitsland rijptijd begin – midden septemberresistent, matige groeier
Orion
Palatina rijptijd half september - eind septembergrote tros, friszoete gele tafel- en wijndruif (muskaat), resistent
Phoenix rijptijd half september - eind septembergrote opbrengst, middelgrote bes, zuurzoet, tafel- en wijndruif (muskaat) resistent, goede groeier
Romulus pitloos, vroeg
Sirius rijptijd begin – midden septembergroenwitte bes, resistent
Solaris Duitsland rijptijd begin – midden septemberwijndruif, resistent, goede groeier
Witte of Vroege van der Laan rijptijd half september - half oktoberopbrengst matig, smaak matig (buiten wat zuur, in de kas zoeter), gevoelig voor schimmels
We hebben een walnoot die het al heel lang goed doet, alleen nu heeft hij 1 tak waarvan de bladeren bruin zijn geworden. Ook de walnoten die daar vanaf vallen zijn wat slijmerig van binnen. Weten jullie wat het zou kunnen zijn & wat we daaraan kunnen doen?
Hij heeft last van een bacterieziekte, die meestal de kans krijgt na een bezoek van bladluizen, eerder in het voorjaar. Meer over deze ziekte en de verzorging van de walnoot in het algemeen kunt u lezen in onderstaande tekst.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Walnoot (Juglans regia)
Algemeen
De gewone walnoot of okkernoot (Juglans regia) is afkomstig uit Zuid-Europa, Centraal- en Zuidwest-Azië. De boom kan 15 tot 18 meter hoog worden, en meer dan 10 meter breed, met een mooie schermvormige kroon. Een andere notenboom die in Nederland wel voorkomt is de uit Noord-Amerika afkomstige zwarte noot (Juglans nigra). De zwarte noot wordt nog wat hoger, tot 25 meter, en maakt eveneens een brede kroon. Vanwege de mooie boomvorm en het exotische karakter werden walnoten wel aangeplant bij kastelen en buitenplaatsen. Ook bij boerderijen werden noten geplant: de stof juglandine in het blad wordt door muggen en vliegen niet aantrekkelijk gevonden. Naast de noten zelf is ook het hout van de notenboom van oudsher waardevol. Walnotenhout is buigzaam en sterk. Het heeft vaak prachtige gevlamde nerven in warme bruintinten. Het is daarom geliefd in de meubelindustrie, en wordt vaak als fineer toegepast. Vroeger werd notenhout ook gebruikt voor het maken van siervoorwerpen zoals deurklinken en geweerkolven.
Verzorging
De walnoot groeit alleen op een goed ontwaterde, kalkrijke vruchtbare grond, die absoluut niet zuur mag zijn. De grond moet daarnaast rijk zijn aan magnesium en fosfaat en sporenelementen. De zwarte noot kan verder iets droger staan dan de walnoot. De walnoot heeft veel licht en ruimte nodig, en staat dus bij voorkeur solitair, of anders minstens 8 meter bij andere bomen vandaan. De notenboom maakt een breed en diep wortelgestel. De zwarte noot maakt daarbij een penwortel, de walnoot maakt een fijner vertakt wortelgestel. Beide hebben vlezige wortels en kunnen na een aantal jaren erg moeilijk verplant worden. Voor het aanplanten moet het plantgat zo groot mogelijk zijn, bij voorkeur zeker een meter diep, en liefst losgemaakt zijn tot op het grondwater. De beste planttijd is vroeg in het voorjaar, net voordat de groei begint. Onder een notenboom wil andere beplanting vaak niet groeien, doordat de wortels een bepaalde stof afscheiden. Bij het planten altijd een boompaal aanbrengen: ze groeien nogal eens scheef.
Een notenboom hoeft eigenlijk niet gesnoeid te worden. Het snoeien beperkt zich dan ook tot het verwijderen van dood, ziek of kruisend hout, en eventueel noodzakelijke correcties in de kroonopbouw, bijvoorbeeld om een mooie doorgaande spil te krijgen. Het beste wordt er gesnoeid in de periode tussen juni en eind oktober, dus wanneer de boom vol in het blad staat. Wordt er buiten deze periode gesnoeid dan bestaat de kans dat de boom zich doodbloedt, net als esdoorn, de berk, haagbeuk. De boom maakt na sterk terugsnoeien op overjarig hout slecht opnieuw knoppen of uitlopers. Na sterke snoei wordt met name de walnoot bovendien gevoeliger voor nachtvorst.
Nachtvorst geeft nog een ander probleem. De walnoot bloeit in april en mei. Aan de boom verschijnen zowel mannelijke als vrouwelijke katjes, maar deze bloeien niet altijd gelijktijdig. De vrouwelijke katjes bloeien aan het eind van de jonge scheuten, en zijn gevoelig voor late nachtvorst, terwijl vorst ook de stuifmeelverspreiding kan verstoren. Welke katjes als eerste bloeien is afhankelijk van de temperatuur, die daardoor de vruchtbaarheid beïnvloedt. Zowel de bloei als de vruchtzetting zijn daardoor erg onvoorspelbaar. Zelfbestuiving is mogelijk evenals kruisbestuiving, terwijl ook bevruchting zonder bestuiving op kan treden.
Rijpe noten vallen vanzelf uit de boom, en kunnen dan geraapt worden. Plukken geeft risico van takbeschadiging, met kans op bloeden. De geraapte noten moeten eerst enkele weken in een goed geventileerde ruimte (of bij mooi weer in de zon) gedroogd worden. Daarna kunnen ze wel 2 jaar bewaard worden. Gepelde noten kunnen in een plastic doosje in de vriezer tot een jaar goed blijven.
Vermeerdering
Walnoten kunnen gezaaid of geënt worden. Bij zaailingen zijn de eigenschappen (zoals bloeitijd, vorst- en ziektegevoeligheid, productie en smaak van de vruchten) niet vooraf bekend. Bovendien kan het bij gezaaide bomen 10 tot 15 jaar duren voordat de productie op gang komt. Bij geënte bomen zijn de eigenschappen wel bekend, en start de productie soms al na 4 jaar.
Ziekten en plagen
Juglans kan last krijgen van verschillende bladluizen: de bonte okkernootbladluis (Chromaphis juglandis) en de gele okkernootbladluis (Chromaphis juglandicola). Tegen bladluis op fruitbomen kan gespoten worden met bijvoorbeeld Admire of Pyrethrum vloeibaar, beide van fabrikant Bayer.
De bladluizen maken bij het zuigen gaatjes in het blad en de jonge twijgen, waardoor de boom vatbaar wordt voor een bacterieziekte Pseudomonas (oud: Xanthomonas) juglandis). De bacterie geeft bruine vlekken op bladeren en bolster, de vrucht in de bolster kan zwart en slijmerig worden, met name als de bacterie vroeg in het seizoen al toeslaat. Ook te veel bemesten of een te voedselrijke grond maakt bomen vatbaarder voor de bacterie. Bij jonge bomen kunnen ook de scheuten aangetast worden.
Ook bladvlekkenziekte (Gnomonia leptostyla) veroorzaakt bruine, hoekige vlekken op het blad, en later ook bladval. De scheuten en bolsters kunnen daarbij ook ingezonken bruine vlekken vertonen. Zelfs de noten kunnen er door verdrogen (droogrot). Deze ziekte treedt vooral op bij nat voorjaarsweer, en verspreidt zich verder van uit het op de grond liggende afgevallen blad.
Zowel de bacterieziekte als de bladvlekkenziekte zijn te bestrijden door te spuiten met koperoxychloride (50 gram op 10 liter water). Met name de oude selecties zijn gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte.
Bij noten met een dunne schaal kunnen vogels voor schade zorgen als door pikken de noot wat open komt te staan. Dit kan bij sommige rassen tot beschimmelde kernen leiden.
Selecties
Wordt de Juglans geplant met als doel een hoge opbrengst aan noten te krijgen, dan kunnen (ongeacht de bestuivingswijze van de selectie) beter 2 of meer bomen aangeplant worden van verschillende selecties waarvan de bloeiperioden elkaar overlappen. Omdat de bomen windbestuivers zijn hoeven ze niet dicht bij elkaar in de buurt te staan. De aftand tussen de bomen moet zelfs minimaal 15 meter bedragen. Wel moet er bij het planten op gelet worden dat het zaad van de bestuiver de kant van de vruchtdragende boom opwaait. Vaak zijn de selecties geënt op een onderstam. Meestal wordt gebruik gemaakt van Juglans regia als onderstam. Ook Juglans nigra (zwarte walnoot) wordt wel gebruikt als onderstam, maar die is gevoelig voor het kersenbladrolvirus, wat zelfs het afsterven van de boom kan veroorzaken. Een fruitboomkweker in de regio waar men woont weet over het algemeen veel over de eigenschappen van de selecties en de geschiktheid ervan voor lokale aanplant.
Selectie bijzonderheden
Amphyon goede brede groeier, laat uitlopend, bevruchting zonder bestuiving, goede smaak, weinig ziektegevoelig, geschikt voor de noordelijke provincies
Axel sterke opgaande groei, grote noten maar slecht bewaarbaar, gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte
Broadview matige groeier, goed winterhard, niet zelfbestuivend, wel soms bevruchting zonder bestuiving, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, goede smaak, weinig ziektegevoelig, zeer winterhard beneden de grote rivieren
Buccaneer matige opgaande groeier, laat uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna matige productie, goede maar wat bittere smaak, weinig ziektegevoelig, minder geschikt voor de noordelijke provincies
Coenen flinke groeier met losse kroon, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend (bestuiver o.a. Broadview), grote noten, goede smaak
Drjanovski laat uitlopend, lekkere maar kleine noten
Franquette sterke groeier, laat uitlopend, laat bloeiend, moeilijk te bestuiven (dus slecht tot wisselvallig qua productie), vooral mooi hout leverend
Hansen matig tot zwakke groeier, winterhard, niet zelfbestuivend, noten in trossen, weinig ziektegevoelig
Nr. 16 matige groeier, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, weinig ziektegevoelig
Nr. 139, Weinheimer matige groeier, goede productie, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, grote noten, goede smaak, ziektegevoelig bij nat weer
Parisienne sterke opgaande groeier, laat vruchtbaar maar daarna regelmatige productie, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, weinig ziektegevoelig
Plovdivski matige maar brede groeier, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend, dikke schaal, goede smaak
Provlavski sterke en brede groeier, grootbladig, vroeg uitlopend (bestuivers o.a. Buccaneer, Coenen, Nr. 16, Rita), dikke schaal, lekkere noten, weinig ziektegevoelig
Red Danube, Roter Donau matige groeier, middelgrote noot met rode kern
Rita zwakke groeier met dichte kroon, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, grote productie van asymmetrische noten, weinig ziektegevoelig
Wonder van Monrepos matige groeier, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, goede productie, weinig ziektegevoelig
Laciniata blad diep ingesneden, trage groeier, winterhard
Purpurea roodbladig, langzame (struikvormige) groeier, niet 100% winterhard, rode vruchten eetbaar
Kan ik in oktober nog een walnoot snoeien, het is een volwassen boom van 50 jaar.
Of in welke periode kan ik dat beter doen?
Ja, het kan nog in oktober, maar eigenlijk hoeft een walnoot nauwelijks gesnoeid te worden. Meer over het snoeien van de walnoot en de algemene verzorging kunt u lezen in onderstaande tekst.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Walnoot (Juglans regia)
Algemeen
De gewone walnoot of okkernoot (Juglans regia) is afkomstig uit Zuid-Europa, Centraal- en Zuidwest-Azië. De boom kan 15 tot 18 meter hoog worden, en meer dan 10 meter breed, met een mooie schermvormige kroon. Een andere notenboom die in Nederland wel voorkomt is de uit Noord-Amerika afkomstige zwarte noot (Juglans nigra). De zwarte noot wordt nog wat hoger, tot 25 meter, en maakt eveneens een brede kroon. Vanwege de mooie boomvorm en het exotische karakter werden walnoten wel aangeplant bij kastelen en buitenplaatsen. Ook bij boerderijen werden noten geplant: de stof juglandine in het blad wordt door muggen en vliegen niet aantrekkelijk gevonden. Naast de noten zelf is ook het hout van de notenboom van oudsher waardevol. Walnotenhout is buigzaam en sterk. Het heeft vaak prachtige gevlamde nerven in warme bruintinten. Het is daarom geliefd in de meubelindustrie, en wordt vaak als fineer toegepast. Vroeger werd notenhout ook gebruikt voor het maken van siervoorwerpen zoals deurklinken en geweerkolven.
Verzorging
De walnoot groeit alleen op een goed ontwaterde, kalkrijke vruchtbare grond, die absoluut niet zuur mag zijn. De grond moet daarnaast rijk zijn aan magnesium en fosfaat en sporenelementen. De zwarte noot kan verder iets droger staan dan de walnoot. De walnoot heeft veel licht en ruimte nodig, en staat dus bij voorkeur solitair, of anders minstens 8 meter bij andere bomen vandaan. De notenboom maakt een breed en diep wortelgestel. De zwarte noot maakt daarbij een penwortel, de walnoot maakt een fijner vertakt wortelgestel. Beide hebben vlezige wortels en kunnen na een aantal jaren erg moeilijk verplant worden. Voor het aanplanten moet het plantgat zo groot mogelijk zijn, bij voorkeur zeker een meter diep, en liefst losgemaakt zijn tot op het grondwater. De beste planttijd is vroeg in het voorjaar, net voordat de groei begint. Onder een notenboom wil andere beplanting vaak niet groeien, doordat de wortels een bepaalde stof afscheiden. Bij het planten altijd een boompaal aanbrengen: ze groeien nogal eens scheef.
Een notenboom hoeft eigenlijk niet gesnoeid te worden. Het snoeien beperkt zich dan ook tot het verwijderen van dood, ziek of kruisend hout, en eventueel noodzakelijke correcties in de kroonopbouw, bijvoorbeeld om een mooie doorgaande spil te krijgen. Het beste wordt er gesnoeid in de periode tussen juni en eind oktober, dus wanneer de boom vol in het blad staat. Wordt er buiten deze periode gesnoeid dan bestaat de kans dat de boom zich doodbloedt, net als esdoorn, de berk, haagbeuk. De boom maakt na sterk terugsnoeien op overjarig hout slecht opnieuw knoppen of uitlopers. Na sterke snoei wordt met name de walnoot bovendien gevoeliger voor nachtvorst.
Nachtvorst geeft nog een ander probleem. De walnoot bloeit in april en mei. Aan de boom verschijnen zowel mannelijke als vrouwelijke katjes, maar deze bloeien niet altijd gelijktijdig. De vrouwelijke katjes bloeien aan het eind van de jonge scheuten, en zijn gevoelig voor late nachtvorst, terwijl vorst ook de stuifmeelverspreiding kan verstoren. Welke katjes als eerste bloeien is afhankelijk van de temperatuur, die daardoor de vruchtbaarheid beïnvloedt. Zowel de bloei als de vruchtzetting zijn daardoor erg onvoorspelbaar. Zelfbestuiving is mogelijk evenals kruisbestuiving, terwijl ook bevruchting zonder bestuiving op kan treden.
Rijpe noten vallen vanzelf uit de boom, en kunnen dan geraapt worden. Plukken geeft risico van takbeschadiging, met kans op bloeden. De geraapte noten moeten eerst enkele weken in een goed geventileerde ruimte (of bij mooi weer in de zon) gedroogd worden. Daarna kunnen ze wel 2 jaar bewaard worden. Gepelde noten kunnen in een plastic doosje in de vriezer tot een jaar goed blijven.
Vermeerdering
Walnoten kunnen gezaaid of geënt worden. Bij zaailingen zijn de eigenschappen (zoals bloeitijd, vorst- en ziektegevoeligheid, productie en smaak van de vruchten) niet vooraf bekend. Bovendien kan het bij gezaaide bomen 10 tot 15 jaar duren voordat de productie op gang komt. Bij geënte bomen zijn de eigenschappen wel bekend, en start de productie soms al na 4 jaar.
Ziekten en plagen
Juglans kan last krijgen van verschillende bladluizen: de bonte okkernootbladluis (Chromaphis juglandis) en de gele okkernootbladluis (Chromaphis juglandicola). Tegen bladluis op fruitbomen kan gespoten worden met bijvoorbeeld Admire of Pyrethrum vloeibaar, beide van fabrikant Bayer.
De bladluizen maken bij het zuigen gaatjes in het blad en de jonge twijgen, waardoor de boom vatbaar wordt voor een bacterieziekte Pseudomonas (oud: Xanthomonas) juglandis). De bacterie geeft bruine vlekken op bladeren en bolster, de vrucht in de bolster kan zwart en slijmerig worden, met name als de bacterie vroeg in het seizoen al toeslaat. Ook te veel bemesten of een te voedselrijke grond maakt bomen vatbaarder voor de bacterie. Bij jonge bomen kunnen ook de scheuten aangetast worden.
Ook bladvlekkenziekte (Gnomonia leptostyla) veroorzaakt bruine, hoekige vlekken op het blad, en later ook bladval. De scheuten en bolsters kunnen daarbij ook ingezonken bruine vlekken vertonen. Zelfs de noten kunnen er door verdrogen (droogrot). Deze ziekte treedt vooral op bij nat voorjaarsweer, en verspreidt zich verder van uit het op de grond liggende afgevallen blad.
Zowel de bacterieziekte als de bladvlekkenziekte zijn te bestrijden door te spuiten met koperoxychloride (50 gram op 10 liter water). Met name de oude selecties zijn gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte.
Bij noten met een dunne schaal kunnen vogels voor schade zorgen als door pikken de noot wat open komt te staan. Dit kan bij sommige rassen tot beschimmelde kernen leiden.
Selecties
Wordt de Juglans geplant met als doel een hoge opbrengst aan noten te krijgen, dan kunnen (ongeacht de bestuivingswijze van de selectie) beter 2 of meer bomen aangeplant worden van verschillende selecties waarvan de bloeiperioden elkaar overlappen. Omdat de bomen windbestuivers zijn hoeven ze niet dicht bij elkaar in de buurt te staan. De aftand tussen de bomen moet zelfs minimaal 15 meter bedragen. Wel moet er bij het planten op gelet worden dat het zaad van de bestuiver de kant van de vruchtdragende boom opwaait. Vaak zijn de selecties geënt op een onderstam. Meestal wordt gebruik gemaakt van Juglans regia als onderstam. Ook Juglans nigra (zwarte walnoot) wordt wel gebruikt als onderstam, maar die is gevoelig voor het kersenbladrolvirus, wat zelfs het afsterven van de boom kan veroorzaken. Een fruitboomkweker in de regio waar men woont weet over het algemeen veel over de eigenschappen van de selecties en de geschiktheid ervan voor lokale aanplant.
Selectie bijzonderheden
Amphyon goede brede groeier, laat uitlopend, bevruchting zonder bestuiving, goede smaak, weinig ziektegevoelig, geschikt voor de noordelijke provincies
Axel sterke opgaande groei, grote noten maar slecht bewaarbaar, gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte
Broadview matige groeier, goed winterhard, niet zelfbestuivend, wel soms bevruchting zonder bestuiving, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, goede smaak, weinig ziektegevoelig, zeer winterhard beneden de grote rivieren
Buccaneer matige opgaande groeier, laat uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna matige productie, goede maar wat bittere smaak, weinig ziektegevoelig, minder geschikt voor de noordelijke provincies
Coenen flinke groeier met losse kroon, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend (bestuiver o.a. Broadview), grote noten, goede smaak
Drjanovski laat uitlopend, lekkere maar kleine noten
Franquette sterke groeier, laat uitlopend, laat bloeiend, moeilijk te bestuiven (dus slecht tot wisselvallig qua productie), vooral mooi hout leverend
Hansen matig tot zwakke groeier, winterhard, niet zelfbestuivend, noten in trossen, weinig ziektegevoelig
Nr. 16 matige groeier, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, weinig ziektegevoelig
Nr. 139, Weinheimer matige groeier, goede productie, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, grote noten, goede smaak, ziektegevoelig bij nat weer
Parisienne sterke opgaande groeier, laat vruchtbaar maar daarna regelmatige productie, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, weinig ziektegevoelig
Plovdivski matige maar brede groeier, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend, dikke schaal, goede smaak
Provlavski sterke en brede groeier, grootbladig, vroeg uitlopend (bestuivers o.a. Buccaneer, Coenen, Nr. 16, Rita), dikke schaal, lekkere noten, weinig ziektegevoelig
Red Danube, Roter Donau matige groeier, middelgrote noot met rode kern
Rita zwakke groeier met dichte kroon, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, grote productie van asymmetrische noten, weinig ziektegevoelig
Wonder van Monrepos matige groeier, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, goede productie, weinig ziektegevoelig
Laciniata blad diep ingesneden, trage groeier, winterhard
Purpurea roodbladig, langzame (struikvormige) groeier, niet 100% winterhard, rode vruchten eetbaar
Ik heb drie walnotenbomen waarvan er één vrucht draagt. Kan ik de andere twee zonder gevolgen kappen waar het 't vrucht dragen betreft? Oftewel heb je meer walnotenbomen nodig voor de bestuiving of bestuiven ze zichzelf?
De walnoot, Juglans regia, is lastig qua bestuiving. Er zijn maar enkele selecties min of meer zelfbestuivend, en ook daarbij verloopt de bestuiving doorgaans beter met een tweede boom in de buurt. Wanneer u weet om welke selecties het gaat kunt u een en ander zelf nalezen in de bijlage op www.mwiarda.nl/appeltern.htm. Wanneer u niet weet om welke selecties het gaat, kan het zijn dat door het kappen van de twee andere bomen de vruchtdragende boom geen noten meer geeft.
Wij hebben een walnotenboom in de tuin van ongeveer 10 jaar oud. Hij heeft nog nooit vruchten of bloesem gegeven. Ik weet ook niet hoe hij gesnoeid moet worden. Hij stond al in de tuin toen we dit huis kochten.
Walnoot is laat vruchtbaar, vooral wanneer het om zaailingen gaat. Daarnaast verloopt de bevruchting vaak moeizaam. Meer hierover kunt u lezen in de onderstaande tekst.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
Walnoot (Juglans regia)
Algemeen
De gewone walnoot of okkernoot (Juglans regia) is afkomstig uit Zuid-Europa, Centraal- en Zuidwest-Azië. De boom kan 15 tot 18 meter hoog worden, en meer dan 10 meter breed, met een mooie schermvormige kroon. Een andere notenboom die in Nederland wel voorkomt is de uit Noord-Amerika afkomstige zwarte noot (Juglans nigra). De zwarte noot wordt nog wat hoger, tot 25 meter, en maakt eveneens een brede kroon. Vanwege de mooie boomvorm en het exotische karakter werden walnoten wel aangeplant bij kastelen en buitenplaatsen. Ook bij boerderijen werden noten geplant: de stof juglandine in het blad wordt door muggen en vliegen niet aantrekkelijk gevonden. Naast de noten zelf is ook het hout van de notenboom van oudsher waardevol. Walnotenhout is buigzaam en sterk. Het heeft vaak prachtige gevlamde nerven in warme bruintinten. Het is daarom geliefd in de meubelindustrie, en wordt vaak als fineer toegepast. Vroeger werd notenhout ook gebruikt voor het maken van siervoorwerpen zoals deurklinken en geweerkolven.
Verzorging
De walnoot groeit alleen op een goed ontwaterde, kalkrijke vruchtbare grond, die absoluut niet zuur mag zijn. De grond moet daarnaast rijk zijn aan magnesium en fosfaat en sporenelementen. De zwarte noot kan verder iets droger staan dan de walnoot. De walnoot heeft veel licht en ruimte nodig, en staat dus bij voorkeur solitair, of anders minstens 8 meter bij andere bomen vandaan. De notenboom maakt een breed en diep wortelgestel. De zwarte noot maakt daarbij een penwortel, de walnoot maakt een fijner vertakt wortelgestel. Beide hebben vlezige wortels en kunnen na een aantal jaren erg moeilijk verplant worden. Voor het aanplanten moet het plantgat zo groot mogelijk zijn, bij voorkeur zeker een meter diep, en liefst losgemaakt zijn tot op het grondwater. De beste planttijd is vroeg in het voorjaar, net voordat de groei begint. Onder een notenboom wil andere beplanting vaak niet groeien, doordat de wortels een bepaalde stof afscheiden. Bij het planten altijd een boompaal aanbrengen: ze groeien nogal eens scheef.
Een notenboom hoeft eigenlijk niet gesnoeid te worden. Het snoeien beperkt zich dan ook tot het verwijderen van dood, ziek of kruisend hout, en eventueel noodzakelijke correcties in de kroonopbouw, bijvoorbeeld om een mooie doorgaande spil te krijgen. Het beste wordt er gesnoeid in de periode tussen juni en eind oktober, dus wanneer de boom vol in het blad staat. Wordt er buiten deze periode gesnoeid dan bestaat de kans dat de boom zich doodbloedt, net als esdoorn, de berk, haagbeuk. De boom maakt na sterk terugsnoeien op overjarig hout slecht opnieuw knoppen of uitlopers. Na sterke snoei wordt met name de walnoot bovendien gevoeliger voor nachtvorst.
Nachtvorst geeft nog een ander probleem. De walnoot bloeit in april en mei. Aan de boom verschijnen zowel mannelijke als vrouwelijke katjes, maar deze bloeien niet altijd gelijktijdig. De vrouwelijke katjes bloeien aan het eind van de jonge scheuten, en zijn gevoelig voor late nachtvorst, terwijl vorst ook de stuifmeelverspreiding kan verstoren. Welke katjes als eerste bloeien is afhankelijk van de temperatuur, die daardoor de vruchtbaarheid beïnvloedt. Zowel de bloei als de vruchtzetting zijn daardoor erg onvoorspelbaar. Zelfbestuiving is mogelijk evenals kruisbestuiving, terwijl ook bevruchting zonder bestuiving op kan treden.
Rijpe noten vallen vanzelf uit de boom, en kunnen dan geraapt worden. Plukken geeft risico van takbeschadiging, met kans op bloeden. De geraapte noten moeten eerst enkele weken in een goed geventileerde ruimte (of bij mooi weer in de zon) gedroogd worden. Daarna kunnen ze wel 2 jaar bewaard worden. Gepelde noten kunnen in een plastic doosje in de vriezer tot een jaar goed blijven.
Vermeerdering
Walnoten kunnen gezaaid of geënt worden. Bij zaailingen zijn de eigenschappen (zoals bloeitijd, vorst- en ziektegevoeligheid, productie en smaak van de vruchten) niet vooraf bekend. Bovendien kan het bij gezaaide bomen 10 tot 15 jaar duren voordat de productie op gang komt. Bij geënte bomen zijn de eigenschappen wel bekend, en start de productie soms al na 4 jaar.
Ziekten en plagen
Juglans kan last krijgen van verschillende bladluizen: de bonte okkernootbladluis (Chromaphis juglandis) en de gele okkernootbladluis (Chromaphis juglandicola). Tegen bladluis op fruitbomen kan gespoten worden met bijvoorbeeld Admire of Pyrethrum vloeibaar, beide van fabrikant Bayer.
De bladluizen maken bij het zuigen gaatjes in het blad en de jonge twijgen, waardoor de boom vatbaar wordt voor een bacterieziekte Pseudomonas (oud: Xanthomonas) juglandis). De bacterie geeft bruine vlekken op bladeren en bolster, de vrucht in de bolster kan zwart en slijmerig worden, met name als de bacterie vroeg in het seizoen al toeslaat. Ook te veel bemesten of een te voedselrijke grond maakt bomen vatbaarder voor de bacterie. Bij jonge bomen kunnen ook de scheuten aangetast worden.
Ook bladvlekkenziekte (Gnomonia leptostyla) veroorzaakt bruine, hoekige vlekken op het blad, en later ook bladval. De scheuten en bolsters kunnen daarbij ook ingezonken bruine vlekken vertonen. Zelfs de noten kunnen er door verdrogen (droogrot). Deze ziekte treedt vooral op bij nat voorjaarsweer, en verspreidt zich verder van uit het op de grond liggende afgevallen blad.
Zowel de bacterieziekte als de bladvlekkenziekte zijn te bestrijden door te spuiten met koperoxychloride (50 gram op 10 liter water). Met name de oude selecties zijn gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte.
Bij noten met een dunne schaal kunnen vogels voor schade zorgen als door pikken de noot wat open komt te staan. Dit kan bij sommige rassen tot beschimmelde kernen leiden.
Selecties
Wordt de Juglans geplant met als doel een hoge opbrengst aan noten te krijgen, dan kunnen (ongeacht de bestuivingswijze van de selectie) beter 2 of meer bomen aangeplant worden van verschillende selecties waarvan de bloeiperioden elkaar overlappen. Omdat de bomen windbestuivers zijn hoeven ze niet dicht bij elkaar in de buurt te staan. De aftand tussen de bomen moet zelfs minimaal 15 meter bedragen. Wel moet er bij het planten op gelet worden dat het zaad van de bestuiver de kant van de vruchtdragende boom opwaait. Vaak zijn de selecties geënt op een onderstam. Meestal wordt gebruik gemaakt van Juglans regia als onderstam. Ook Juglans nigra (zwarte walnoot) wordt wel gebruikt als onderstam, maar die is gevoelig voor het kersenbladrolvirus, wat zelfs het afsterven van de boom kan veroorzaken. Een fruitboomkweker in de regio waar men woont weet over het algemeen veel over de eigenschappen van de selecties en de geschiktheid ervan voor lokale aanplant.
Selectie bijzonderheden
Amphyon goede brede groeier, laat uitlopend, bevruchting zonder bestuiving, goede smaak, weinig ziektegevoelig, geschikt voor de noordelijke provincies
Axel sterke opgaande groei, grote noten maar slecht bewaarbaar, gevoelig voor Pseudomonas en bladvlekkenziekte
Broadview matige groeier, goed winterhard, niet zelfbestuivend, wel soms bevruchting zonder bestuiving, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, goede smaak, weinig ziektegevoelig, zeer winterhard beneden de grote rivieren
Buccaneer matige opgaande groeier, laat uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna matige productie, goede maar wat bittere smaak, weinig ziektegevoelig, minder geschikt voor de noordelijke provincies
Coenen flinke groeier met losse kroon, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend (bestuiver o.a. Broadview), grote noten, goede smaak
Drjanovski laat uitlopend, lekkere maar kleine noten
Franquette sterke groeier, laat uitlopend, laat bloeiend, moeilijk te bestuiven (dus slecht tot wisselvallig qua productie), vooral mooi hout leverend
Hansen matig tot zwakke groeier, winterhard, niet zelfbestuivend, noten in trossen, weinig ziektegevoelig
Nr. 16 matige groeier, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, vroeg vruchtbaar en daarna goede productie, weinig ziektegevoelig
Nr. 139, Weinheimer matige groeier, goede productie, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, grote noten, goede smaak, ziektegevoelig bij nat weer
Parisienne sterke opgaande groeier, laat vruchtbaar maar daarna regelmatige productie, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, weinig ziektegevoelig
Plovdivski matige maar brede groeier, vroeg uitlopend, niet zelfbestuivend, dikke schaal, goede smaak
Provlavski sterke en brede groeier, grootbladig, vroeg uitlopend (bestuivers o.a. Buccaneer, Coenen, Nr. 16, Rita), dikke schaal, lekkere noten, weinig ziektegevoelig
Red Danube, Roter Donau matige groeier, middelgrote noot met rode kern
Rita zwakke groeier met dichte kroon, vroeg uitlopend, zelfbestuiver, grote productie van asymmetrische noten, weinig ziektegevoelig
Wonder van Monrepos matige groeier, laat uitlopend, niet zelfbestuivend, wel bevruchting zonder bestuiving mogelijk, goede productie, weinig ziektegevoelig
Laciniata blad diep ingesneden, trage groeier, winterhard
Purpurea roodbladig, langzame (struikvormige) groeier, niet 100% winterhard, rode vruchten eetbaar
Een leuke vraag. Het kruipertje is een wilde gerstsoort die in Nederland en België op veel plaatsen in bermen, bij muren en in weiden voorkomt. De wetenschappelijke naam is Hordeum murinum. Deze gerst vormt een vrij grote, brede bloeiaar (ca. 8 cm lang en 1,5 cm in doorsnee) waarvan de kafjes zijdelings uitstaande stijve haartjes vertonen. Die haartjes zijn de reden van de naam ‘kruipertjes’, want vroeger wist iedere boerenjongen dat als je zo’n aartje afplukte en met de top naar voren onder in je mouw (of in de mouw van de jurk van een meisje) stopte, dat deze er dan door de armbewegingen bovenaan weer uitkwam. Hij ‘kroop’ naar boven.
Wij hebben in uw tuinen betonijzeren zuilen gezien om te laten begroeien met bijvoorbeeld Hedera. We kunnen ze op uw website nergens terug vinden. Wat kosten ze en waar zijn ze te koop?
Helaas, ze zijn speciaal door een smid gemaakt voor deze tuin, en zo dus niet te koop.
Wilt u een zuil van of bekleed met betonijzer dan zit er dus weinig anders op dan zelf een smederij of een metaalverwerkend bedrijf te benaderen. Naast betonijzer zijn er meer materialen die gebruikt kunnen worden voor de bekleding van of de constructie van zuilen of muren.
Zo is de Kant & Klaar haag van Mobilane ook in smallere eenheden dan de standaardmaten te verwerken door de bak en de panelen door te zagen en/of om te buigen. Op die manier is zelfs een horizontale haag te creëren. Dealeradressen kunt vinden op de website www.mobilane.nl.
Daarnaast zijn van de steviger gaasrasters van Betafence (het vroegere Bekaert) ook eenvoudig gaasraamwerken te maken die u dan zelf kunt laten begroeien. Meer informatie hierover kunt u vinden op de website www.betafence.com/site/consumer/dealers/.
Op maat worden zuilen, pergola's en wandafwerkingen van dubbelstaafmatten geproduceerd en geplaatst door Laurens Hekwerk West te Leiderdorp, tel : 071-589 00 52, website www.laurenshekwerk.nl.
Mag het een lichtere constructie zijn, dan zijn de klimpilaren of klimzuilen van Hivy Pillar Fashion als standaard oplossing te koop. Meer informatie en een bestelformulier kunt u vinden op de websites www.growhugger.nl en www.hivypillar.nl.
U heeft betonnen kinderstoeltjes in het park staan. Weet u ook of deze stoeltjes ergens te koop zijn? Ik ben er een paar jaar geleden geweest ze stonden bij torentjes waar je omhoog kon gaan met een trap en naar ik meen was er een restaurant bij.
Deze stoeltjes zijn niet (meer) verkrijgbaar. Voor een eigentijds alternatief zou u kunnen kijken in onze online tuinwinkel, waar het zitelement Tumbly aangeboden wordt. Houdt u meer van klassiek, dan kunt u voor betonnen tuinmeubulair onder meer terecht op de website van Janssen Tuindecoraties, www.tuinverlichtingen.nl, zie de categorie Tuinsets in de webwinkel op die site. Ook Excluton heeft hardstenen banken en tuinmeubilair in het assortiment. Dit is verkrijgbaar of te bestellen bij tuincentra, of uw hovenier.
Ik heb in gedachte om een getrapt looppad naar een toegang van een woning uit te voeren in COR-TEN staal. Hoe kan ik voorkomen dat roest mee naar binnen gelopen wordt? Is het mogelijk een beschermlaag in de vorm van sealen hierover aan te brengen?
De roestvorming in COR-TEN staal stopt nooit helemaal, tenzij er echt een coating overheen aangebracht wordt. Dan wordt het metaal helemaal afgedekt, en is het goedkoper om de trap van bijvoorbeeld roestvrij staal te maken. Wilt u meer weten over COR-TEN staal, lees dan verder.
De volgende tekst kunt u ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.
COR-TEN staal
Algemeen
COR-TEN staal (meestal corten staal of weervast staal genoemd) is een product van de United States Steel Corporation, dat onder licentie bij staalverwerkende bedrijven te koop is. Het bestaat uit staal met een koper- en nikkellegering. Qua sterkte is het vergelijkbaar met roestvrij staal, en het is ook ongeveer op de zelfde wijze te verwerken. Het verschil zit hem in de buitenkant. Aan de oppervlakte ontstaat na ongeveer een jaar een dunne roestlaag die via oxidatie een verbinding aangaat met de stoffen in het metaal. Dit geeft een afsluitende, goed beschermende laag, de patina. Deze laag biedt voldoende bescherming, en heeft daardoor geen nabehandeling nodig. Dat maakt dat de onderhoudskosten gering zijn. Het metaal zelf roest niet verder, terwijl de patina in de loop der jaren nog wat dieper bruin kleurt. COR-TEN staal wordt daarom veel gebruikt in de scheepsbouw. Ook in de architectuur en in de kunstwereld wordt het gebruikt. Hier spelen niet alleen de sterkte en de onderhoudskosten van het metaal een rol, maar vooral ook het fraaie uiterlijk.
Dat het metaal niet verder doorroest, betekent niet dat bij toepassing buiten de roestvorming helemaal stopt, ook niet bij de nieuwere, verbeterde versies. Er zal altijd met (regen)water wat roest uit kunnen spoelen. Ook kan COR-TEN staal wel degelijk doorroesten op plekken waar langdurig water blijft staan. Dan is het niet duurzamer dan roestvrij staal. Met name de uitspoeling van roestig water, hoe gering ook, maakt dat de populariteit in de bouwwereld wat afneemt. Voor toepassing in de tuin hoeft dit echter geen probleem te zijn. Wordt het gebruikt naast verharding, dan kan tussen het staal en de stenen een smalle strook grind of ander los materiaal aangebracht worden. Door deze strook af en toe te harken verdwijnen de roestsporen uit het zicht. Bij toepassing langs beplanting is dit al helemaal geen probleem. Ook kunnen er, vooruitlopend op het ontstaan van de uitspoelingsvlekken, alvast kunstmatige vlekken op de verharding aangebracht worden, zodat de nieuwe sporen later niet opvallen.
Aanvullende behandeling
Voor de duurzaamheid en de schoonheid van het materiaal is geen nabehandeling nodig. Maar met name voor (kunst)toepassingen binnenshuis wordt het COR-TEN staal toch af en toe behandeld, bijvoorbeeld om de kleur te behouden of te verdiepen of om een glanseffect te bereiken. De behandeling vindt dan plaats nadat de patina zich gevormd heeft.
Roestvorming vindt plaats onder invloed van vocht en licht. Als men de aanwezige kleur wil behouden is het, om dit proces tot stilstand te brengen, niet voldoende om het metaal af te dekken met een transparante laklaag. Het afdekken heeft daarnaast bij toepassing buiten als nadeel dat bij beschadiging van de afdeklaag lucht, vocht en licht alsnog bij het metaal kunnen komen, waardoor de roestvorming op de beschadigde plekken verder zal gaan. Dit kan ongewenste kleurverschillen geven.
Voor wie toch een afschermende laag aan wil brengen volgen hier enkele mogelijkheden.
De eerste methode is ‘verven’ met Owatrol-olie. Owatrol bevat stoffen die roestvorming tegengaan. Bij het aanbrengen moet er voor opgepast worden dat een goede dekkende laag ontstaat, zonder ingesloten luchtbellen of vocht. Het eindresultaat na behandeling is een donker bruine roestkleur. De behandeling moet (afhankelijk van de omstandigheden) om de paar jaar herhaald worden. Owatrol is verkrijgbaar bij de verfspeciaalzaak. Meer informatie en een overzicht van dealers zijn te vinden op www.owachem.nl. De verduurzamingsproducten kunnen via die website ook online besteld worden.
Wat arbeidsintensiever zijn de methodes waarbij zelf een roestwerend mengsel samengesteld wordt. Zo kan gesprayd worden met een mengsel van 30% lijnzaadolie, verdund met 70% terpentine, aan te brengen met een (planten)spuit. Door meerdere dunne lagen aan te brengen in plaats van één dikke, wordt voorkomen dat het metaal kleverig wordt. Het resultaat is een matte afdekking in de originele kleur. De behandeling moet, afhankelijk van de omstandigheden, jaarlijks herhaald. Wordt het mengsel opgespoten terwijl het metaal verhit wordt, dan zou een donkerder en duurzamer afdekking bereikt kunnen worden. Daarbij moet de olie bij het sprayen wel walmen, maar niet gelijk verbranden. Lijn(zaad)olie of vlaszaadolie wordt onder meer gebruikt als basis voor milieuvriendelijke verfsoorten. Deze methode kan ook toegepast worden met andere producten, zoals visolie of bijenwas. Op koud metaal kunnen ze in dunne lagen ingewreven worden. Op warm metaal mogen ze ook weer niet gelijk verbranden. De opgebrachte laag geeft een wat diepere kleur met een zachte glans.
Ik zoek het internetadres van de leverancier van de mooie doeken (posters) die je in de tuin kunt hangen. Ze hangen bij jullie her en der aan de muren.
De decoratie-doeken worden gemaakt door bij VriArt Garden View in Gouda. Er is veel keus uit standaardafbeeldingen, maar ook uw eigen foto kan gebruikt worden om een doek van te maken. Meer informatie over de doeken, de ophangsystemen en verkoopadressen kunt u vinden op de website www.VriArt.nl. Daarnaast zijn decoratie-doeken te zien van Outdoor Arts te Oldenzaal. Hierover kunt u meer informatie vinden op hun website www.outdoor-arts.com. De decoratie-doeken kunt u ook bestellen via onze online tuinwinkel.
