Nederlands grootste en mooiste tuinideeënpark

Snoeien van kersen-, appel- en pruimenboom

Hoe en wanneer snoei ik mijn kersen-, appel-, pruimenboom?

Bij kersen wordt qua snoei op latere leeftijd verschil gemaakt tussen zure kers en zoete kers. Meer over het snoeien en de verdere verzorging van kersenbomen kunt u lezen in de onderstaande tekst.

Deze tekst kunt u (net als de snoeiaanwijzingen voor de appel- en pruimenbomen) ook in de opgemaakte versie downloaden of printen. Open daartoe een nieuwe internetpagina. Kopieer de volgende link naar het browserveld (waar u normaal het internetadres intypt): www.mwiarda.nl/appeltern.htm en klik daarna op enter.

Kers (Prunus)

Algemeen

Het is niet exact bekend waar de kers oorspronkelijk vandaan komt. Waarschijnlijk stamt hij uit West-Azië en Zuid-Europa. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zoete kersen (Prunus avium) en zure kersen of morellen (Prunus cerasus). Zoete kersen worden voornamelijk vers gegeten, zure kersen worden industrieel verwerkt tot sap, jam en bigarreaux (geconfijte kersen of Franse vruchtjes). In Nederland werden tot de Tweede Wereldoorlog veel kersen geteeld in de Betuwe. Omdat de teelt zeer intensief was (vogelwering, pluk), zijn veel boomgaarden sindsdien verdwenen. Door de ontwikkeling van nieuwe onderstammen, waardoor de bomen minder groot worden, en nieuwe rassen met grotere vruchten, is de belangstelling voor commerciële teelt in Nederland de laatste jaren weer aan het toenemen. Landen waar veel kersen geteeld worden zijn Griekenland, Italië, Frankrijk en ook België. De zoete kers of Kriek komt ook wel (verwilderd) voor in Zuid-Limburg. Zure kersen worden ook wel Walen genoemd, de kersen die er qua smaak tussenin zitten worden wel Royalen genoemd. Meikers is een kruising tussen de zoete en de zure kers.
Kersenpitten kunnen nadat ze gestratificeerd zijn (een koudeperiode hebben doorgemaakt) gemakkelijk ontkiemen. De planten komen echter niet soortecht uit zaad terug, en zijn daardoor zeer variabel. Een zoete kers op eigen wortel kan 15 m hoog worden, de zure kers blijft aanmerkelijk kleiner. De meeste kersenbomen worden echter geënt. De volgende onderstammen worden wel gebruikt: Limburgse Boskriek (sterke groeier), F12/1 (zeer sterke groeier), Colt (tamelijk sterke groeier), Weiroot 13 (matige groeier) en GiSelA-5 (matige tot tamelijk zwakke groeier). Vooral de laatste onderstam wordt ook in commerciële boomgaarden toegepast.
Kersen zijn, enkele uitzonderingen daar gelaten, over het algemeen niet zelfbestuivend (zelffertiel). Voor een goede kruisbestuiving zullen dus vaak 2 bomen aangeplant moeten worden.
Kersen zijn, net als alle andere bomen met steenvruchten, via snoeiwonden zeer vatbaar voor schimmelinfecties. Snoeiwonden moeten daarom afgedekt worden met entwas of wondbalsem. Snoeiresten kunnen eveneens een bron van infectie vormen, en moeten dus afgevoerd worden.

Verzorging

Zoete kersen zijn erg veeleisend: vochthoudende, diep doorwortelbare, lichte kleigrond hebben ze het liefst. De beste planttijd is november, maar later, tot eind februari kan ook, zolang het maar niet vriest.
De plantafstand voor hoogstambomen bedraagt minimaal 8 meter. Zoete kersen kunnen de eerste 10 jaar na aanplant beter niet bemest worden, om de kans op ziektes en gommen te verkleinen. Na deze leeftijd krijgen ze wel weer graag mest, in april en in juni met een complete kunstmeststof.

Zure kersen stellen minder hoge eisen aan de grond, zolang deze maar niet te zwaar of te nat is. De Meikers zit met zijn wensen tussen beide soorten in. De zure kers wil wel graag bemest worden, zowel met stalmest als met kunstmest (ieder voorjaar in april 125 gr patentmest voor ieder jaar dat de boom oud is en begin juni nog eens wat kalksalpeter). Ze dragen alleen vrucht op het tweejarige hout, dus moet verjongingssnoei toegepast worden om voldoende vruchtdragende takken binnen in de boom of struik te houden.

Groeivormen die aangeplant kunnen worden zijn hoogstam, halfstam, struik en leivormen (meestal de waaier), die doorgaans geënt zijn op een onderstam. De onderstam is bepalend voor de groeikracht, en kan de resistentie van ziektegevoelige rassen vergroten. De ent moet zich na het planten minstens 20 cm boven de grond bevinden, om te voorkomen dat de ent eigen wortels ontwikkelt.
Voor vrij uitgroeiende hoogstam bomen wordt een plantafstand aangehouden van minimaal 8 m en maximaal 15 m, in verband met de bestuiving. Bij halfstambomen is 7 m voldoende, terwijl laagstambomen en leibomen (waaiers) op 3 à 4 m afstand van elkaar gezet kunnen worden. Wanneer een boompaal bij de fruitboom geplaatst wordt, wordt de boomband bij voorkeur kruislings aangebracht, om te voorkomen dat de boom tegen de paal gaat schuren en zo verwondingen oploopt.

Zoete en zure kersen vragen, als ze volwassen zijn, een verschillende snoeimethode.

Zoete kersen als hoogstam, halfstam of struik worden in eerste instantie net zo gesnoeid als de pruimenboom. In de eerste jaren wordt voornamelijk op vorm gesnoeid, om een goed gestel op te bouwen. Bij de eerste snoei worden 4 of 5 hoofdgesteltakken aangehouden. Dit zijn stevige takken die onder een hoek van circa 30 graden ten opzichte van de hoofdstam opgaand groeien, en die de boomkroon gaan vormen. De doorgaande spil wordt getopt, net boven het punt waar men de kroonontwikkeling wil hebben. De zijtakken die zich laag op de stam ontwikkelen worden op 7 of 8 cm van de stam afgesnoeid.
Het tweede jaar worden in maart de eerder geselecteerde hoofdgesteltakken tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. De eerder al ingekorte zijtakken laag aan de stam kunnen nu bij de stam weggeknipt worden.
Het derde jaar, in maart, worden per &#145oude&#146 hoofdgesteltak 2 zijscheuten geselecteerd die bij wijze van verlenging door mogen groeien. Deze worden weer tot de helft of op 2/3 ingekort op een buitenoog aan de onderzijde van de tak. Alle andere zijtakken worden tot op een lengte van 8 tot 10 cm afgeknipt. Aan deze laatste, korte takken gaan zich de bloemknoppen ontwikkelen, en later de vruchten.
Na het derde jaar is het gestel van de boom grotendeels gevormd, en worden de gesteltakken minimaal gesnoeid. In de zomer (juli, augustus) wordt dood, beschadigd of kruisend hout uit de kroon gesnoeid, en wordt in de kroon verder alleen gedund. Verlengingen hoeven niet meer getopt te worden, en zijscheuten mogen doorgroeien, omdat zich daaraan de vruchtloten ontwikkelen. Wel worden daarbij verkeerd groeiende zijtakken binnen de kroon telkens weggeknipt, om te voorkomen dat de kroon te vol wordt.

De meest voorkomende leivorm bij de zoete kers is de waaier, die net zo opgebouwd wordt als de perzikwaaier. Na aanplant wordt de struik teruggeknipt tot 40 cm boven de grond, en net boven een bladknop (puntig) of een drielingknop (2 ronde bloemknoppen en een spitse bladknop). Op de muur of schutting worden horizontale draden gespannen met een onderlinge afstand van circa 10 cm. Tijdens het groeiseizoen groeit de bovenste knop vertikaal door als verlenging van de stam, en vormen zich zijscheuten. Van de zijscheuten worden 2 sterke, bijna tegenover elkaar staande takken gekozen, 1 naar de linkerkant en 1 naar de rechterkant. De andere zijtakken worden bij de stam weggeknipt. Als de resterende zijscheuten circa 50 cm lang zijn, wordt de hoofdstam enkele centimeters boven de bovenste van de 2 zijscheuten afgeknipt, en de wond afgedekt met een wondafdekmiddel. De zijscheuten worden onder een hoek van 45 graden aangebonden, eventueel langs een al eerder schuin aangebonden stok. In oktober of november worden beide zijscheuten met de helft ingekort.
Tijdens de tweede zomer ontstaan zijscheuten op de gesteltakken. Hiervan mogen er per tak 4 doorgroeien: 2 schuin omhoog, 1 ter verlenging van de gesteltak en 1 aan de onderkant van de gesteltak. De andere zijtakken worden bij de basis weggeknipt. De nieuw gekozen zijtakken (in totaal dus 8) worden wat gespreid aangebonden. In februari worden de nieuwe zijtakken met 1/3 ingekort.
In de derde zomer mogen per zijtak 3 mooi gespreid geplaatste nieuwe zijtakjes doorgroeien. Alle andere zijtakjes worden weer weggeknipt. In oktober worden de zijtakjes met een kwart ingekort.
Als het gestel gevormd en de waaier opgevuld is, worden de verkeerd geplaatste of van de muur af groeiende takjes in de zomer helemaal weggeknipt. De gesteltakken horen nu regelmatig gespreid, aan de uiteinden op circa 40 cm uit elkaar, een waaier te vormen. In maart worden waar nodig de verlengingen minimaal ingekort, zodat zich vertakkingen vormen die eventuele gaten in de waaier nog op kunnen gaan vullen. De andere verlengingen worden niet meer gesnoeid. De zijtakken worden teruggeknipt op 15 cm lengte, of 4 tot 6 bladeren, zodat zich hieraan vruchtsporen ontwikkelen. Voor de winter, in september, worden deze zijtakken verder teruggeknipt, op 8 tot 10 cm lengte.

De kroonopbouw bij de zure kers verloopt de eerste jaren ongeveer gelijk aan die bij de zoete kers, waarbij het nog belangrijker is een evenwichtige spreiding van de takken te krijgen. Zodra na 4 tot 6 jaar een evenwichtige kroon is opgebouwd, moet er regelmatig verjongd worden. De zure kers geeft alleen vruchten op de takken die de vorige zomer gevormd zijn. Ter verjonging worden na de oogst telkens enkele oudere zijtakken teruggeknipt tot een jonge zijscheut aan de basis, dicht bij de gesteltak. Deze mag zich door middel van verlengingen weer ontwikkelen tot een nieuwe volwaardige tak met zijscheuten.
Ook de vorming van een waaier begint bij de zure kers op gelijke wijze. Na de vorming van het gestel moet direct begonnen worden met verjongen, door telkens in maart of april lange, oude scheuten terug te knippen op 8 tot 10 cm van de basis. De nieuwe scheuten die dan gevormd worden zullen het daarop volgende jaar vruchtknoppen ontwikkelen. Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.

Verjongen

Vooral zure kersen als hoogstamboom kunnen na enkele jaren veel te dicht worden in de kroon. Ze kunnen dan verjongd worden, door de gesteltakken op 1 m vanaf het begin van de kroon weg te nemen. Op de teruggesnoeide takken zullen zich sterke vervangingsscheuten ontwikkelen, waaruit weer een nieuw, open gestel ontwikkeld kan worden. De verjonging kan het beste midden in de zomer uitgevoerd worden, om het risico van infectie met loodglans zo klein mogelijk te houden. Snoeiwonden moeten afgedekt worden met entwas of wondbalsem.

Ziekten en plagen

Alle steenvruchten (zoals kers, perzik, abrikoos etc.) zijn gevoelig voor loodglans, bacteriekanker. Net als op de appel kan ook vruchtboomkanker optreden.
Loodglansziekte wordt veroorzaakt door de paarse korstzwam (Chondrosteum purpureum), die zich als wondparasiet in de takken vestigt. Die verkleuren daardoor van binnen bruinpaars. De opperhuid van de bladeren aan deze takken komt los te zitten doordat er lucht onder komt, wat de typische grijsgroene bladverkleuring veroorzaakt. De zwam leeft niet in gezond hout, maar parasiteert wel op dood hout. Snoeihout moet dan ook verwijderd worden. Ook onbehandeld loofhout van boompalen, afrasteringen etc. kan een infectiebron gaan worden. Snoeien net na de oogst of in het voorjaar beperkt de kans op wondinfectie, evenals het afdekken van de wonden met een wondafdekmiddel. Bestrijding heeft alleen zin bij licht aangetaste bomen. Aangetast hout moet met ontsmet gereedschap nauwkeurig weggeknipt en afgevoerd worden. Ook kan een flinke stikstofbemesting helpen om de boom weer in goede conditie komt en zo de besmetting overgroeit. Is de boom zwaar aangetast of heeft de zwam de stam bereikt, dan zal hij gerooid moeten worden. Naast steenvruchten zijn ook de appel &#145Early Victoria&#146 en de peren &#145Beurré Hardy&#146, &#145Conference&#146, &#145Triomphe de Vienne&#146 en de pruimen &#145Czar&#146, &#145Early Laxton&#146, &#145Jefferson&#146 en de &#145Reine Claude d&#146Althan&#146, &#145Reine Victoria&#146 en &#145Reine Claude Verte&#146 gevoelig voor loodglansziekte.

Bacteriekanker (Pseudomonas syringae) komt alleen voor bij steenvruchten, en veroorzaakt in sommige jaren het plotseling afsterven van schijnbaar gezonde bomen. De ziekte is te herkennen aan eerst samengevouwen, later verklevend en afvallend blad, en ingezonken plekken op de takken of de stam. Bij zwaardere aantasting onstaan holle ruimtes in de stam, waar de bast strak overheen gespannen staat. Er is geen bestrijdingsmethode voor de aantasting. Vooral bomen op natte of juist zeer droge grond zijn de bomen gevoeliger, en zware bemesting kan beter vermeden worden. Bij een beginnende aantasting kan aangetast hout met ontsmet gereedschap nauwkeurig verwijderd en afgevoerd worden. Wanneer de stam ook aangetast is moet de boom gerooid worden.

Vruchtboomkanker wordt veroorzaakt door de zwam Nectria galligena, die via wonden en beschadigingen (snoeiwonden, schurende takken of hagelschade) de boom kan binnendringen. Hoewel de ziekte vooral bij appelbomen toeslaat, kan hij ook voorkomen bij peer en steenvruchten. Eerst ontstaan kleine ingezonken plekjes bij de takbasis of rond knoppen. De bast scheurt, vaak in de lengterichting, soms ook rondom de tak. Er ontstaat wondweefsel, waarmee de boom probeert de wond af te sluiten, maar vaak is de tak al helemaal afgestorven voordat de wond geheeld is. Ook op de vruchten kan rondom de kelkholte een rotte plek ontstaan, met voortijdige vruchtval tot gevolg. Vruchtboomkanker komt vooral voor op de nattere, zure gronden, vaak geholpen door een eenzijdige stikstofbemesting. De takken groeien daardoor te lang door, en gaan te weinig afgehard de winter in. De zwam verspreidt zich in de herfst. Bestrijding heeft ook weer alleen zin bij een lichte aantasting. Na de oogst kunnen bij droog weer de aangetaste takken en eventueel de beschadigde plekken tot op het gezonde hout met ontsmet gereedschap zo veel mogelijk verwijderd worden. De wonden moeten afgedekt worden met een wondafdekmiddel. Na de oogst, wanneer respectievelijk 30, 60 en 90% van het blad van de boom gevallen is, kan gespoten worden met middelen op basis van de werkzame stof captan (alleen verkrijgbaar voor bedrijfsmatige gebruikers), om te voorkomen dat de zwam zich via sporangiën opnieuw verspreidt.

Kersen zijn gevoelig voor gommen (het lekken van vocht uit de stam) na verwonding als gevolg van snoeien of harde wind. De vruchten kunnen als gevolg van vochtige weersomstandigheden barsten of rotten. De schade is te beperken door het aanbrengen van een plastic regenkap of door de (lei)bomen anderszins af te schermen van de regen.
Bij een kers die geen vruchtsporen aanmaakt zodra hij 4 jaar of ouder is, kan geprobeerd worden de groei te remmen door de takken niet onder 45 graden, maar horizontaal aan te binden.

Rassen

Kersen zijn, enkele uitzonderingen daar gelaten, over het algemeen niet zelfbestuivend (zelffertiel). Voor een goede kruisbestuiving zullen dus vaak 2 bomen aangeplant moeten worden. Ook bij zelfbestuivers is de opbrengst vaak groter wanneer er een tweede, gelijktijdig bloeiende boom bij in de buurt staat.

Een overzicht van de rassen en hun bestuivers staat in de bijlage Kers &#150 bestuiving.